2 Petrus 1:3-15

De preek beluisteren in Audio

Geloven is een WERKwoord

(Prediking ochtendsamenkomst Bijbeldag 2003)

(2 Petrus 1:3-15)

"Hier sta ik, en ik kan niet anders". Niemand minder dan Maarten Luther zou deze woorden in 1521 hebben uitgesproken op de Rijksdag te Worms, waar hij zich moest komen verantwoorden voor zijn "ketterse leer". Ik wil me zeker niet vergelijken met Luther, maar ik sta hier vandaag ook omdat ik niet anders kan. Daar is wel een woordje uitleg bij nodig, denk ik.

Er waren er tot vandaag niet zo heel veel die het wisten, maar ik ben eigenlijk een "Bijbeldagbekeerling". Dat betekent niet dat ik op een Bijbeldag tot geloof ben gekomen, want dat is niet zo. Het betekent wel dat ik door een publicatie van de Bijbeldag met het evangelie in aanraking ben gekomen.

Ter gelegenheid van de Bijbeldag van 1973 had het Bijbeldagcomitee samen met de Kruisbanier een krantje uitgegeven met allemaal artikels rondom de Bijbel: Wat is de Bijbel? Hoe is de Bijbel tot stand gekomen? Waarom geloven wij dat de Bijbel Gods Woord is? Dat waren allemaal vragen die in dit krantje aan bod kwamen.

En dat bewuste krantje zette mij aan het nadenken over mijn geloof. Ik was in de katholieke kerk opgegroeid. Ik was opgevoed in een geloof dat van zichzelf beweerde dat het op de Bijbel gebaseerd was. Hoe kwam het dat ik die Bijbel niet kende? Hoe kwam het dat ik wel Bijbelverhalen kende maar nooit in de Bijbel had gelezen.

In dat krantje zaten een bon voor een Bijbel en een bon voor een gratis Bijbelcursus. Daarmee ging ik dus aan de slag. En ik moet zeggen dat ik dat Boek enorm interessant vond. Alleen was ik er wel totaal verkeerd mee bezig...

Ik vond de Bijbel vooral interessant omdat ik daarin ontdekte dat de kerk waar ik vandaan kwam toch wel foute dingen leerde. Ik vond de Bijbel boeiend omdat ik erin las dat zoveel mensen totaal verkeerd bezig waren. Op die manier heb ik maanden in de Bijbel gelezen. Eigenlijk gebruikte ik de Bijbel als een vergrootglas. Met dat vergrootglas kon ik haarscherp de fouten van andere groepen en andere mensen bestuderen.

Het heeft maanden geduurd vooraleer ik besefte dat je de Bijbel op een heel andere manier moet lezen. De Bijbel is geen vergrootglas; de Bijbel is een spiegel en in die spiegel kan je haarfijn je eigen fouten en je eigen gebreken zien.

Dat is dan misschien niet direct zo'n leuke ontdekking maar op die manier wordt dit boek pas een geloofsboek. Een boek dat leert wie God is, wie je zelf bent en hoever Gods liefde wel ging om jou terug bij Hem te brengen. Pas op het moment dat ik dat besefte kon die Bijbel mij helpen om "beter te geloven".

Want dat is wat ik eigenlijk zocht: "Hoe kan ik beter geloven. Ik was wel gelovig... maar het betekende niet echt veel meer in mijn leven. Geloven moest toch iets meer zijn?

Er hebben duidelijk meer mensen met die vraag rondgelopen. Er kwamen ook zulke mensen bij Jezus...

Nicodemus was zo iemand. Niet de eerste de beste! Een leraar van Israël! Iemand die de Schrift door en door kende; hij was er zowat zijn hele leven al mee bezig geweest. En toch had hij het gevoel dat er meer moest zijn...

De rijke jongeling. Ook niet de eerste de beste! Ze hadden hem misschien beter de vrome jongeling genoemd... Iemand die zich altijd zo enorm had ingespannen om de wet van Mozes zo getrouw mogelijk te onderhouden. Zo gaan er geen twaalf in een dozijn zou ik zo denken. En toch kwam hij ook naar Jezus. Omdat hij ook met zo'n onvoldaan gevoel zat.

Gelovig zijn en een geloof hebben dat echt je hart en je leven vervult... het zijn duidelijk verschillende dingen.

Gelovig zijn betekent in feite niet zo veel. Eigenlijk gelooft iedereen! Zelfs ongelovigen geloven! Ze geloven dat er geen God is; dat alles dus door toeval is ontstaan. "Ongelovigen geloven het ongelooflijke" heeft eens iemand gezegd.

"Oh! Stop even! Ik geloof wel echt, hé!", zegt u misschien. "Ik geloof in Jezus! Ik ben christen!"

Dat is heel mooi. Maar wat betekent dat? Moet ik denken aan die farizeeërs die daar rond Jezus stonden: "Momentje, rabbi! Wij zijn echt niet de eerste de besten! Wij behoren tot het uitverkoren volk! Abraham is onze vader".

En wat antwoordde Jezus: "En dan? God is zelfs bij machte om uit deze stenen kinderen van Abraham te maken!"

U vindt dat een raak antwoord? Hoe zou Jezus dan reageren als wij zeggen dat we christenen zijn? Geen schrik dat Hij zou zeggen: "God is zelfs bij machte om van deze stoel, waar je nu op zit, christenen te maken?

In een van die talrijke Amerikaanse praatshows kwam een tijd geleden een dichteres, Maya Angelou, op de gastenstoel te zitten. Maya Angelou is schrijfster van religieuze teksten en is in Amerika razend populair. Op een zeker moment vroeg de gastheer haar welke ambitie zij nu nog had. Tot zijn grote verbazing antwoordde zijn gaste: "Ik wil christen worden".

De gesprekleider repliceerde meteen: "Maar ik dacht dat u een christen was?". Waarop Maya Angelou dan weer antwoordde: "Weet u, als mensen naar me toekomen en zeggen dat ze christen zijn dan denk ik altijd 'oh neen... nu al?'"

Dat is een antwoord dat vast de moeite waard is om er even over na te denken. Veruit de meesten onder ons, die vanmorgen hier zijn samengekomen, noemen zichzelf christen. Dat vermoed ik toch. We zeggen inderdaad – en hopelijk terecht – dat we volgelingen van Christus zijn. Maar in werkelijkheid zijn we onderweg! We zijn samen bezig aan een reis die een heel leven zal duren.

Want de leerschool van Jezus is een heel bijzondere school. Weet u waarom? Omdat er in de leerschool van Jezus geen afgestudeerden zijn! Diegenen die in deze school zijn afgestudeerd zijn niet meer bij ons. Die hebben hun diploma daarboven, bij Jezus zelf, in ontvangst genomen!

Geloof in Jezus in een geloof in "De Levende". Dat hebben we minder dan twee weken geleden op het Paasfeest herdacht. Jezus Leeft! Geloof in Hem kan en mag dus geen dood, geen passief geloof zijn.

Een levend geloof is een geloof dat dingen in beweging zet! Ik heb dan ook boven deze preek de titel geplaatst: "Geloven is een WERKwoord"!

* * *

Er zijn heel wat teksten in de Bijbel te vinden die ons duidelijk maken wat een levend geloof eigenlijk is en wat het uitwerkt in iemands leven. Het probleem was eerder ik deze morgen een keuze moest maken.

Er zijn drie auteurs in de Bijbel die me bijzonder aanspreken als het om geloof gaat. Het zijn drie heel bijzondere, heel bevoorrechte mensen: Jacobus, Petrus en Johannes. Waarom zijn het bevoorrechte mensen? Omdat ze in hun leven iets ongelooflijk mochten meemaken: zij mochten, op de berg Tabor, Jezus in al zijn heerlijkheid aanschouwen. En dat lees en proef je in hun brieven. Ze staan, toeval of niet, vlak na mekaar in uw Bijbel: één brief van Jacobus, twee brieven van Petrus en drie van Johannes. En ze hebben allemaal iets bijzonders over geloof te zeggen.

"Geloof zonder werken is dood", schrijft Jacobus. En wees gerust: hij bedoelt hier niet dat we door onze werken gered worden. Hij wil enkel beklemtonen dat iemand die werkelijk gelooft niet passief kan blijven.

"Wie zegt dat hij in God geloof, dat hij Hem liefheeft, maar wie zijn broeder of zuster gebrek laat lijden, is een leugenaar", zegt Johannes. Johannes is nooit verlegen voor een krasse uitspraak!

Ik zou jullie echt willen aanmoedigen om in de komende dagen en weken de brieven van deze drie bijzondere mensen eens heel aandachtig te lezen. Neem er rustig de tijd voor. Ik vraag niet heel veel: samen zijn het net twintig bladzijden in mijn Bijbel.

Deze morgen koos ik een stuk uit de tweede Petrus-brief. Waarom?

Omdat ik Petrus een bijzonder man vind. Iemand die zo levendig uit de Schrift naar voor komt. Een herkenbaar iemand. Iemand die het hart altijd op de tong had. Een mens van vlees en bloed. Iemand die met de Heer heeft leren wandelen met vallen en opstaan.

En die tweede brief is als het ware zijn "geestelijk testament". Op het moment dat Petrus deze brief schreef wist hij dat zijn leven hier op aarde ten einde liep. We lezen dat in vers 14:

...want ik weet, dat het afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten.

We zijn omstreeks het jaar 70, wanneer deze brief wordt geschreven. Petrus was zeker al bejaard en hij had een lang leven met de Here achter de rug. Toen hij Jezus leerde kennen was hij was nog een jong man, in de kracht van zijn leven. En nu wist de apostel dat hem niet veel tijd meer restte. Op welke wijze de Heer hem dat had duidelijk gemaakt weten we niet, maar op één of andere manier was het hem geopenbaard.

En dàt maakt onze schriftlezing van vandaag precies zo een boeiend stuk: een man die zoveel met de Heer heeft meegemaakt, die Hem van zo nabij gekend heeft en die een lang leven als volgeling achter de rug heeft... wat wil zo'n man ons vertellen, wat wil hij speciaal benadrukken wanneer hij zich bewust is geworden van het feit dat hij geen gelegenheid meer zal hebben om nog dikwijls op deze zaken terug te komen.

Wat is nu de boodschap die Petrus zo belangrijk vindt, dat hij ze op het einde van zijn leven nog eens extra wil benadrukken? Wat wil hij ons op zo'n moment nog een speciaal onder de aandacht brengen?

Ik zou het zo durven samenvatten: "Wees niet tevreden met een passief geloof! Wees niet tevreden met een stuk façade! Wees niet tevreden met het feit dat je Christen genoemd wordt, dat je die naam draagt! Wees zelfs niet tevreden met het feit dat je bij zijn gemeente mag horen! Wees niet tevreden met een gedeelte van de geweldige, de "kostbare en zeer grote beloften" die God ons heeft toegezegd!

Wees niet tevreden met die dingen! Er is véél en véél meer dan dat. In vers 4 lezen we het: de bedoeling is dat we deel zouden hebben aan de goddelijke natuur!

Dat is heel wat anders dan een traditie-geloof. Dat is heel wat anders dan lid zijn van een kerk, hoe groot en hoe machtig die ook mag zijn. We kunnen deel hebben aan de goddelijke natuur. Dat is hetgeen waar we volgens Petrus moeten naar streven; dat is wat deze apostel zo enorm belangrijk vindt: dàt kun je bereiken, zegt hij, en we zouden er willen aan toevoegen: "met minder hoef je geen genoegen te nemen"!

Goed. We kunnen dus deel hebben aan de goddelijke natuur. Onze eerste vraag kan dan zijn: "Wat wordt daar dan precies mee bedoeld"? Deel hebben aan de goddelijke natuur... wat is dat dan?

Ik denk dat we het op de eenvoudigste manier zo kunnen zeggen: deel hebben aan de goddelijke natuur, dat is niets anders dan gelijken op Jezus. We weten immers uit de Schrift, dat in Hem (en in Hem alleen) de goddelijke natuur werd geopenbaard. We kunnen worden als Jezus... Ik geef eerlijk toe dat ik enorm veel moeite heb om dit te geloven, maar het staat in Gods woord! Meer dan één keer zelfs.

Dat is dus de volheid van het evangelie. En het is voor ons ook een noodzaak, dat we naar die volheid streven. Want enkel op die manier (we lezen verder in vers 4) kunnen we:

...ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.

Misschien komen de woorden "verderf dat door de begeerte in de wereld heerst" u een beetje ouderwets over. Misschien spreken ze niet meer zo sterk aan. En toch zijn het geen vrome, godsdienstige woordjes, maar ze geven een duidelijk beeld van de toestand waarin de wereld rondom ons zich bevindt. Het wordt voor sommigen misschien iets duidelijker bij het lezen van de engelse vertaling: "...having escaped the corruption that is in the world through lust".

Enkel door deel te krijgen aan die goddelijke natuur, enkel door meer en meer te gaan lijken op Jezus, kunnen we ontsnappen aan de corruptie (en dat is géén ouderwets woord) die in de wereld waarin wij elke dag leven de boventoon blijkt te voeren. En dat verderf - die corruptie - wordt aangedreven door begeerte, door hebzucht, door de drang om te hebben, om steeds meer en meer te bezitten: geld, invloed, macht.

En Jezus is gekomen om ons ook daarvan te redden, opdat we daaraan zouden kunnen ontsnappen. Want uit eigen kracht kunnen we dat niet. Het doel van onze verlossing, van onze redding, is dus: dat we deel zouden hebben aan de goddelijke natuur, dat we zouden worden als Hij.

Maar daarmee is de kous niet af! Tot bekering komen, dat is iets dat je als het ware kan overvallen, iets dat je vrij plots kan overkomen. Worden als Jezus, dat is iets heel anders. Dat komt niet aanwaaien! Dat is een heel lange weg... Wanneer we de volgende verzen uit onze tekst van vandaag lezen, zouden we kunnen zeggen: dat is een hoog gebouw, dat langzaam maar zeker dient te worden opgetrokken.

Willen we samen de verzen 5 tot en met 7 nog eens doorlezen. Ik lees ze hier uit de Statenvertaling:

...voegt bij uw geloof deugd,
en bij de deugd kennis.
En bij de kennis matigheid,
en bij de matigheid lijdzaamheid,
en bij de lijdzaamheid godzaligheid.
En bij de godzaligheid broederlijke liefde,
en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen".

Ziet u: Petrus schetst hier als het ware een toren waar we bouwlaag na bouwlaag zorgvuldig moeten optrekken. En we moeten aan élke laag onze volle aandacht besteden, anders zal het eindresultaat niet erg stevig blijken. Denk maar aan de toren van Pisa: wanneer één van de bouwlagen, bijvoorbeeld het fundament, niet stevig genoeg blijkt te zijn, dan zakt het hele geval scheef. (Dat kan dan wel een toeristische attractie zijn, maar het was zeker niet de bedoeling van de bouwmeester!)

* * *

We willen de eerste bouwlaag eens onderzoeken:

...schraagt om deze reden met betoon van allen ijver (het komt dus niet vanzelf maar het vraagt duidelijk inspanning) door uw geloof de deugd...

Geloof! Dat is het begin van alles; dat is hét fundament. Bekijk het hoe je dan ook wilt, zonder geloof komen we er niet. En aangezien het om een fundament gaat, moet het stevig zijn. Wanneer we ons leven met de Here baseren op een onoprecht geloof, op een geloof dat niet écht en diep uit ons hart komt, dan loopt het vroeg of laat mank.

Hoe veel christenen zijn de mist ingegaan, zijn van de weg afgedwaald, omdat hun geloof niet oprecht was. Ze wilden wel "proberen te geloven", omdat iemand hen door zijn Bijbelkennis of mooie woorden had overdonderd... of ze wilden best geloven, omdat hun man of vrouw of vader en moeder het nu eenmaal ook deden. Maar zo'n fundament is veel te zwak voor ons "geestelijk bouwwerk"! We kunnen niet op los zand bouwen...

Op dat geloof komt onze volgende bouwlaag: de deugd. Weer een van die woorden, die ons vandaag misschien weinig te zeggen hebben. Willen we het omschrijven met "deugdelijkheid", met "degelijkheid".

Met andere woorden: uit ons geloven moet een levenshouding voortvloeien. Een degelijke, consequente levenswandel. Wanneer ons geloof écht gemeend is, dan kunnen we niet doen alsof en verder leven zoals we dat deden vóór we tot geloof kwamen. Als geloven voor ons het einde is, dan hebben we enkel een fundament gelegd, en dat is nog niet zo'n fraai zicht. Denk aan de man waarover Jezus vertelde: de man die een toren begon te bouwen en die toen niet verder kwam...

Dan komt de kennis. Bij een eerste lezing vond ik dat toch een beetje vreemd: pas op de derde plaats de kennis? En toch is dat veelbetekenend. Want wat is onze kennis zonder geloof? Kijken we maar even naar de "moderne theologen"... Wat een holle klanken hoor je wanneer iemand zijn enorme Bijbelse kennis over zijn toehoorders uitstort, maar wanneer die kennis niet uit zijn hart komt maar enkel verstandelijk is...

En wat is kennis zonder deugdelijkheid? Wat betekent het getuigenis van iemand - hoe pakkend en ontroerend hij het ook kan vertellen - wanneer het niet bevestigd wordt door een nieuwe levenswandel?

De volgende stap, na de kennis, is de zelfbeheersing. De Statenvertaling geeft hier matigheid. Onze kennis moet beheerst en gematigd worden. Anders worden we hard en liefdeloos. Dan gaan we die kennis misbruiken om anderen met bijbelverzen om de oren te slaan, (de Bijbel als vergrootglas, weet u nog?) en dat mag zeker niet het doel van onze kennis zijn.

Heilige kennis moet leiden tot heilig ontzag. Juiste kennis moet als gevolg hebben, dat we onze eigen tekorten en zwakheden duidelijk gaan zien (de spiegel dus!), en dat we precies daarom de ander met meer begrip en met meer liefde tegemoet kunnen treden.

Dan volgt de een andere, belangrijke zaak: volharding. Wanneer onze constructie nu langzamerhand op een gebouw begint te lijken, komt het er op aan de moed niet te laten zakken! Ons geestelijk leven mag geen strovuurtje zijn: zo'n vuur dat fel oplaait wanneer je het aansteekt maar dat ook heel snel is uitgebrand. Het komt erop aan het vol te houden. Elke dag weer opnieuw de Heer te willen volgen, zonder op te geven of zonder om te kijken.

Enkel dan kunnen we de volgende verdieping van ons geestelijk gebouw optrekken: godsvrucht. (Is dat nu wéér zo'n ouderwets woord? Daar kun je in deze moderne tijd toch niet mee komen aandraven?).

Laat ons het dan zo zeggen: onze volharding zal ons ertoe brengen dat we de Heer in ons leven écht de centrale plaats gaan geven, de plaats die Hem toekomt. Dat we alles voor Hem en door Hem en in Hem gaan doen. Dat is de échte godsvrucht en dat heeft niets te maken met zich overgieten met een vroom of godsdienstig sausje. Het betekent gewoon leven voor de Here. Het doel van ons bestaan; de bedoeling van onze Schepper!

Zo bereiken we de twee bovenste verdiepingen: eerst de broederliefde. Wanneer we hard aan al die vorige bouwlagen gewerkt hebben, dan kan de liefde tegenover onze broeders en zusters (die óók met vallen en opstaan aan precies zo'n gebouw werken) ons niet zo moeilijk meer vallen. Dan hebben we hen bijna vanzelfsprekend lief; omdat we hen beter kennen en begrijpen. Want onverschilligheid en liefdeloosheid worden meestal veroorzaakt door onbegrip. "Onbekend is onbemind"; dat is een oude volkswijsheid.

En zo komen we aan de top van het gebouw; de kroon op het werk! De liefde voor alle mensen. We zouden bijna durven zeggen: de onbereikbare volmaaktheid! Pas op dat moment hebben we écht deel aan die "goddelijke natuur"; pas dan "zijn we als Jezus".

Zijn liefde voor alle mensen was zo groot dat hij voor hen allemaal zijn leven gaf. En zijn wij niet geneigd om dat telkens weer te vergeten? Jezus heeft iedereen lief: ook mijn buurman, ook mijn collega, ook mijn baas, ook die asielzoeker van vijf huizen verder, ook... Vul zelf maar verder aan.

* * *

Dat is wat Petrus zo op het hart lag. Dat is hetgeen hij ons kost wat kost nog wilde vertellen, vóór de Heer hem tot zich riep. En weer komt datzelfde naar voor dat in heel het evangelie, in heel de "blijde boodschap" weerklinkt: het gaat bovenal om de liefde. Zonder die liefde is alles zinloos en hol. Haal de liefde uit deze boodschap, en je hebt alleen een leeg omhulsel over.

Alle schrijvers van het nieuwe testament leggen daar op één of andere manier de nadruk op: "Wat was ik zonder liefde?" vraagt Paulus. "Kinderkens, bemint elkander", herhaalt Johannes. "Daaraan zullen ze erkennen dat het om mijn volgelingen gaat, dat ze elkander liefhebben", zegt Jezus. En diezelfde liefde is de kroon op dat geestelijk gebouw, dat Petrus in deze verzen voor ons wilde tekenen. Een gebouw dat begint met geloof... En dat echte, dat levende geloof brengt ons bij de echte, goddelijke, liefde!

En dan willen we samen, tot slot, de verzen 8 tot en met 11 aandachtig herlezen. Werken aan dit geestelijk gebouw is geen nutteloze bezigheid, is geen zinloos tijdverdrijf:

"Want als deze dingen (die bouwlagen die Petrus zonet heeft opgesomd) bij u aanwezig zijn en overvloedig worden, laten zij u niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Here Jezus Christus. Want bij wie zij niet zijn, die is verblind in zijn bijziendheid, daar hij de reiniging van zijn vroegere zonden heeft vergeten. Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen. Want zó zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland, Jezus Christus."

Je kunt beter geloven! Je kunt christen worden!

Amen.

 Terug naar ONTMOETING inhoud

5/2003