Preken uit Mattheüs

Mattheüs 8:5-10

Hoe groot is uw geloof?

(Mattheüs 8:5-10)


Mt.8:10 "Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zo groot geloof gevonden!"

INLEIDING
Hoe groot is ons geloof? Geloof wordt gevraagd: te Kapernaüm Mt.9:27-30 "volgden twee blinden (Jezus), al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David! 28 … Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dit doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Here. 29 Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide: U geschiede naar uw geloof. 30 En hun ogen gingen open.". Geloof opent de weg naar wonderen: nog te Kapernaüm maakten vier jonge mannen een gat in het dak van een huis om hun verlamde vriend neer te laten aan de voeten van Jezus: Mt.9:2,6b-7 "daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven. … 6b Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. 7 En hij stond op en ging naar huis.". Aan de bloedvloeiende vrouw zei Jezus: Marc.5:34 "Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.". Aan Jaïrus, wiens dochter zojuist gestorven was, zei Jezus: Marc.5:36,41-42a "Wees niet bevreesd, geloof alleen. … 41 En Hij vatte de hand van het kind en zeide tot haar: … Meisje, ik zeg u, sta op! 42 En het meisje stond onmiddellijk op". Te Jericho beval Jezus blinde Bartimeüs: Marc.10:52 "Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende".

Hoeveel geloof is nodig voor een wonder? 100 gr.? 1 kg.? 1 ton? Jezus zei: Mt.17:20 "voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn.". Deze uitspraak van Jezus wordt daarom dikwijls geciteerd met de goed bedoelde, maar misleidende bewering dat men dus eigenlijk slechts heel weinig geloof nodig heeft om enorm grote wonderen te kunnen verwachten. Dit is echter niet wat dit vers onderwijst, en ook niet wat andere uitspraken van Jezus over geloof leren. Laat ons de tekst opnieuw lezen: "voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn.". Jezus zegt niet: "indien gij een geloof hebt zo klein als een mosterdzaad"; Hij zegt: "indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad". Er is nog een bekende tekst waar Jezus het over een mosterdzaad heeft: Mt.13:31b-32 "Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. 32 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.". Heet beeld van het mosterdzaadje i.v.m. geloof betekent dus niet dat piepklein geloof enorme wonderen kan verrichten, maar dat wonderen verricht worden door geloof dat weliswaar piepklein begint, maar groot groeit. "Geloof als een mosterdzaad" dat bergen kan verzetten is dus niet piepklein geloof, maar geloof dat piepklein begon maar dat heel groot is gegroeid. Is ons geloof in het mosterdzaad- of het grote boomstadium? In de Evangeliën komen wij drie maten van geloof tegen: geen geloof, klein geloof, en groot geloof.

1. GEEN GELOOF
Géén geloof vinden wij bij Jezus' discipelen in hun vissersbootje op het Meer van Galilea in de donkerste uren van de nacht, tussen 3 en 6 uur 's morgens. Marc.4:37-40 "er stak een zware stormwind op en de golven sloegen in het schip, zodat het schip reeds vol liep. 38 (Jezus) … lag op het achterschip tegen het kussen te slapen. (De discipelen) maakten Hem wakker en zeiden tot Hem: Meester, trekt Gij er U niets van aan dat wij vergaan? 39 En Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en het werd volkomen stil. 40 En Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij zo bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?". Géén geloof! Waaraan ziet Jezus dat zij geen geloof hebben? Hun vrees! En wat is het gevolg van hun vrees? Angst dat zij gaan sterven! Ze geloven wel! Maar wat geloven ze? Dat ze gaan verdrinken! "Waarom zijt gij zo bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?" De basissen voor zowel geloof als voor vrees zijn allebei aan boord van hun schip: de basis voor geloof: Jezus; de basis voor vrees: de golven die in het schip sloegen. Waar concentreren ze zich op: Jezus liggende tussen het kussen op het achterschip, of het water dat steeds hoger in het schip zwalpt? Geloof is altijd in verhouding tot de plaats die wij Jezus in ons leven geven. Over hoeveel percent van ons doen, spreken en denken heeft Jezus voorrang? Leven wij 100% voor Jezus, handelen wij 100% zoals Jezus handelt, spreken wij 100% zoals Jezus spreekt, en denken wij 100% zoals Jezus denkt, dan is Zijn liefde in ons volmaakt: 1 Joh.4:18 "Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.".

Discipelen: "Waarom zijt gij zo bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?" Omdat u zich u op het probleem concentreert i.p.v. op de oplossing, op de omstandigheden i.p.v. op de Heer. Jezus, vredig slapende, straalt volkomen vrede uit. De zware stormwind en de golven in het schip stellen "vergaan" voor. De discipelen zien allebei, en verkiezen verstand boven geloof. Verstand zegt: "zware stormwind en golven in het schip leiden tot vergaan". Geloof zegt: "Jezus is aan boord, en: Ps.125:1 "Wie op de Here vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar voor altoos blijft."; Jes.43:2 "Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden."; Hebr.13:6 "De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen". Rom.8:28 "God (doet) alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn." De vrees van de discipelen drijft hen naar Jezus: "Zij maakten Hem wakker … En Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en het werd volkomen stil.".

2. KLEIN GELOOF
De tweede maat van geloof is "kleingeloof". In Mt.17 lezen wij het verhaal van een wanhopige vader. Zijn zoon is bezeten door een boze geest die de jongen dikwijls in het vuur doet vallen en dikwijls in het water. Marcus voegt daaraan toe dat van kinds af aan: 9:18 "waar (de boze geest) hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft.". En Lucas schrijft dat de boze geest de jongen grijpt "en dan schreeuwt hij plotseling en hij doet hem stuiptrekken, … en als hij hem mishandelt, laat hij hem nauwelijks los." - kortom: een hoopje hopeloze ellende. De vader wil Jezus vragen om zijn bezeten zoon te bevrijden. Maar wanneer hij aankomt, ontdekt hij dat Jezus gisteren met Petrus, Johannes en Jacobus de verheerlijkingsberg beklom. De negen overgebleven discipelen proberen het klusje zelf te klaren, maar het lukt hun niet om de boze geest uit de bezeten jongen te drijven. Gelukkig keert Jezus op tijd bij Zijn discipelen terug. De vader: Mt.17:14-20a "kwam tot Hem, knielde voor Hem neder, en zeide: 15 Here, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water.". Matteüs, Marcus en Lucas verslagen alle drie wat de wanhopige vader dat aan Jezus zegt: "16 … ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen." "17 Jezus antwoordde en zeide: … Breng hem Mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af. 19 Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? 20 Hij zeide tot hen: Vanwege uw kleingeloof.". De discipelen staan tegelijk in verwondering en in verwarring. Boze geesten uitdrijven is veel moeilijker gebleken dan zij dachten. De vader van de bezeten - nu bevrijdde - knaap heeft gelijk: zij hebben het niet gekund. Hoe komt het dat wat voor de discipelen een onmogelijke opgave was, voor Jezus maar een klein kunstje bleek te zijn? Zij willen graag weten hoe het komt dat het Hem lukt en hun niet: "Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?". Jezus' antwoord: "Vanwege uw kleingeloof."!

Wat is "kleingeloof"? Wanneer is ons geloof te klein? Het Marcusevangelie verslaat het gesprek tussen Jezus en de vader van de bezeten jongen vollediger. De vader zegt aan Jezus: v.22b "als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!". Jezus antwoordt: vv.23-24 "Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. 24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!". Ik denk dat de vader van de bezeten knaap ons toont wat klein geloof is, nl. geloof dat met twijfel gepaard gaat; geloof dat niet zeker is. Echt geloof: Hebr.11:1 "is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.", of, zoals "Het Boek" dit vers prachtig vertolkt: "de absolute zekerheid dat onze hoop ook werkelijkheid wordt en het is het bewijs van dingen die wij niet kunnen zien.". De NBV geeft het nog anders weer: "Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.". De vader van de bezeten jongen heeft zeker geloof. Hij gelooft wellicht dat boze geesten kunnen worden uitgedreven, en dat Jezus dit ook kan, want anders was hij niet met zijn zoon om hulp komen vragen. Maar nu het de discipelen van Jezus niet gelukt is om hem te helpen, twijfelt hij. Laten wij ons geloof ook soms beïnvloeden door het "succes" van medegelovigen? Als een voorganger of een oudste voor een zieke bidt, en wij de zieke niet zien genezen, laten wij ons ontmoedigen om voor ons te laten bidden? I.a.w.: stellen wij te veel vertrouwen op het "personeel" van de Heer dan op de Heer Zelf? Zo ja, lijden wij aan klein geloof.

3. GROOT GELOOF
De Romeinse hoofdman waarover wij lazen had echter groot geloof. De Romeinse hoofdman heeft een doodzieke knecht: Mt.8:2 "Een slaaf nu van een hoofdman, die deze op hoge prijs stelde, was ernstig ongesteld en lag op sterven.". De meeste Romeinen beschouwden hun slaven niet echt als mensen, maar eerder, zoals de Griekse filosoof Aristotles ze beschreef, als "levende werktuigen". Maar de slaaf van de Romeinse hoofdman is zelfs geen "levend werktuig", want hij is ziek, dodelijk ziek. Matteüs schrijft dat hij verlamd lag, met hevige pijn (Mt.8:6). Het Griekse woord in de grondtekst geeft aan dat de zieke slaaf leed aan wat wij vandaag: "klem" noemen, een ziekte die zeer pijnlijk spierkrampen veroorzaakt, en die toen ongeneeslijk was. De gebruikelijke houding van Romeinen ten opzichte van zwaar zieke of stervende slaven was: hoe vlugger zij sterven, hoe beter - anders kosten zij geld, want zij moeten gevoed worden, terwijl zij niets opbrengen! Er was immers geen tekort aan slaven - de hoofdman kon zich gemakkelijk een vervanger aanschaffen. Maar deze Romeinse hoofdman is anders dan de meeste Romeinen. Hij stelt zijn slaaf hoog op prijs. Er is nog iets anders waarin deze Romeinse hoofdman opvalt: hij verzoekt Jezus om hulp. Dit is ook uitzonderlijk. Romeinse bezetters verzochten niet, zij bevalen! Zoals de Romeinse hoofdman zelf aan Jezus zei: v.8b "ik zeg tot de één: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het.". Maar deze Romeinse hoofdman beveelt Jezus niet; hij verzoekt Hem nederig om zijn zieke slaaf te genezen.

Deze Romeinse hoofdman is dus anders dan de meeste van zijn soortgenoten. Dit vinden de oudsten van de synagoge te Kafarnaüm ook: vv.3b-5 "enige oudsten der Joden … 4 … kwamen … tot Jezus en drongen zeer bij Hem aan, want, zeiden zij, hij is waard, dat Gij dit voor hem doet; 5 want hij heeft ons volk lief en onze synagoge heeft hij gebouwd.". Een Romein die zijn slaven op prijs stelt, is uitzonderlijk; een Romein die Joden liefheeft, ook! De meeste Romeinen haatten de Joden, die zij beschouwden als een onderontwikkeld, onbeschaafd, cultuurloos volk met een primitieve, armzalige godsdienst. Maar deze Romeinse hoofdman is anders. Hij minacht de Joden en hun godsdienst niet; integendee: hij heeft de Joden en hun godsdienst lief - zo lief zelfs dat hij een mooie synagoge voor de Joden te Kafarnaüm heeft laten bouwen - waarvan de indrukwekkende ruïnes nog altijd te bezichtigen zijn.

De Joodse leiders: vv.4-5 "kwamen dan tot Jezus en drongen zeer bij Hem aan, want, zeiden zij, hij is waard, dat Gij dit voor hem doet; 5 want hij heeft ons volk lief en onze synagoge heeft hij gebouwd.". De oudsten van de synagoge vinden dat de Romeinse hoofdman een mirakel verdient. Jezus zou een wonder voor deze Romeinse hoofdman moeten doen omdat hij echt een brave man is. Zij maken de fout die alle godsdiensten behalve het christendom maken. De Joodse godsdienst - zoals alle andere wereldgodsdiensten - is gebaseerd op verdienen. Men moet vergeving, eeuwig leven, genezing, bevrijding enz. verdienen; men moet proberen om God goed te stemmen door zijn offers en goede werken, en Zijn zegeningen waard te zijn. Het beeld van God, de liefdevolle Vader, Die ons zegent zonder dat wij het verdienen, blijft nauwelijks begrepen en aanvaard tot op heden - zelfs onder vele christenen. Wij durven niet te geloven voor wonderen in ons eigen leven omdat wij vinden dat wij ze niet verdienen, dat wij ze niet waard zijn. Petrus vond dat hij de wonderbare visvangst niet verdiende. Hij en zijn medevissers hadden "de gehele nacht door … hard gewerkt en niets gevangen" (Luc.5:5). Jezus zei: v.4 "Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen." > vv.6-7 "En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte vissen binnen, en hun netten dreigden te scheuren. 7 En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen zouden komen helpen. En dezen kwamen en zij vulden beide schepen, tot zinkens toe." > v.8 "Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neder aan de knieën van Jezus en zeide: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here.". Petrus voelde zich een mirakel niet waard. Volgens zijn theologie verdienden zondaars geen wonderen.

Hebt u bemerkt dat God vaak wonderen doet voor mensen die in onze ogen geen wonderen verdienen! Verdiende Petrus de verloochenaar om op water te wandelen? Verdiende Paulus de vervolger om zieken te genezen en bezetenen te bevrijden en doden op te wekken? Natuurlijk niet! Niemand van ons verdient vergeving, genezing, bevrijding, heiliging, overwinning of gebedsverhoring. Rom.3:23 "Want (wij hebben) allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods". Wat verdienen zondaars?: Rom.6:23 "het loon, dat de zonde geeft, is de dood". Als God ons zou geven wat wij waard zijn, wat wij verdienen, zou niemand ooit vergeving van zonde ontvangen of genezen of bevrijd worden of een wonder in zijn of haar leven zien gebeuren. Als God ons zou geven wat wij verdienen, zouden wij allemaal onherroepelijk eeuwig verdoemd zijn. Gelukkig gebeuren mirakels niet op basis van onze verdiensten. God doet wonderen niet op basis van wat wij waard zijn, maar op grond van Zijn genade: Rom.6:23 "het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here."; Ef.2:8-9 "door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand roeme."; 1:7 "in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade".

Waarom overleefde Noach de zondvloed? Omdat hij zo'n brave man was? Hij wàs inderdaad braaf: Gen.6:9b "Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God.". Maar de reden waarom God Noach redde, was niet omdat hij het waard was, maar omdat: Gen.6:8 "Noach vond genade in de ogen des Heren." Waarom werd Jozef heerser over Egypte? Omdat hij: Gen.39:6 "schoon van gestalte (was) en schoon van uiterlijk."? Om hem te belonen voor al het kwade dat zijn broers hem aandeden? Neen: Gen.39:21 "de Here was met Jozef; Hij bewees hem genade". Waarom verhoorde God Mozes' gebed? Omdat Mozes een gehoorzame godsman was? Neen, toen Mozes bad: Ex.33:17 "(zeide) de Here tot Mozes: … deze zaak … zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt". Job was zeker een zeer goede man. God Zèlf getuigde van hem: Job 1:8b "niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.". Maar Job zelf schreef Gods zegen niet aan zijn eigen oprechtheid en heiliging en vroomheid toe; hij zei: 10:12 "genade hebt Gij mij geschonken". Waarom werd Maria uitgekozen om de moeder van de Heiland te worden? Omdat zij een mooi, braaf meisje was? Neen: Luc.1:30 "de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevonden bij God." . De apostel Paulus schreef: 1 Cor.15:9-10 "ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb. 10 Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is."; Rom.11:6 "Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer." Gods genade is dezelfde voor iedereen. Licentiaten met een onderscheiding zijn niet bevoorrecht boven buizers die blijven zitten! Wat wij van God ontvangen hangt niet af van onze prestaties, van wat wij verdienen, van wat wij waard zijn; maar van Gods genade: 2 Cor.9:8 "En God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn".

De Romeinse hoofdman schat zijn zieke slaaf van hoge waarde; de Joden kennen de Romeinse hoofdman grote waarde toe; maar hijzelf zegt: v.6 "ik ben niet waard"! - "Ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt". De Joden zeggen: "Hij is waard"; de Romeinse hoofdman zegt zelf: "ik ben niet waard". Voor één keer treedt Jezus de Joden bij. Wat vindt Jezus waardevol bij deze Romeinse hoofdman? Zijn liefde voor het Joodse volk? Zijn bekommernis om zijn zieke slaaf? Het feit dat hij een mooie synagoge gebouwd heeft? Wellicht! Maar deze dingen zijn niet de reden waarom Hij zijn verzoek om een wonder inwilligt. Noch liefde noch goede werken garanderen wonderen. Zelfs grote giften voor het bouwfonds van onze kerk waarborgen mirakels niet (spijtig, eigenlijk)! Wat de doorslaggevende indruk op Jezus maakt, is noch de liefde van de Romeinse hoofdman voor het Joodse volk, noch zijn bekommernis om zijn zieke slaaf, noch zijn bouwen van de synagoge, maar zijn geloof in de Heer en zijn geloof in de kracht van Gods Woord: vv.6-7 "ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt … maar spreek slechts een woord en mijn knecht moet herstellen.". De Romeinse hoofdman gelooft ook in de wonderwerkende kracht van de woorden van Jezus: v.7b "spreek slechts een woord en mijn knecht moet herstellen."; v.9 "Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Zich kerende tot de schare, die Hem volgde, sprak Hij: Ik zeg u, zelfs in Israël heb Ik een zo groot geloof niet gevonden!"

De Romeinse hoofdman smeekt: "Spreek slechts een woord en mijn knecht moet herstellen." > Mt.8:13 "En Jezus zeide tot de hoofdman: Ga heen, u geschiede naar uw geloof." "U geschiede naar uw geloof." Geloof in Jezus en Zijn Woord opent de weg tot wonderen. De enige andere persoon in de Evangelie aan wie groot geloof toegekend wordt, is ook een niet-Joodse heiden - de Syro-fenesische vrouw wiens dochter bezeten was en die Jezus volhardend smeekte om haar te bevrijden. Jezus antwoordde haar: Mt.15:28 "O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af". Mt.8:13b "En de knecht genas, juist op dat uur.". Groot geloof!

CONCLUSIE
Wie is hier vandaag zoals de Romeinse hoofdman, met een nood in uw eigen leven of een bekommernis om iemand die u lief hebt? Wie verlangt naar een wonder? Hoe krijgen we het nodige groot geloof? Moeten wij naar Canada, om de zgn. "Toronto blessing" op te snuiven? Of naar Nigeria, om de diensten van br. Joshua mee te maken? Of naar een andere zgn. grote evangelist, gebedsgenezer of naar speciale samenkomsten en seminars en conferenties? Zoals u wilt, maar onthoud dit: geloof is nooit tweedehands; geloof is niet overdraagbaar. Hoe krijgen wij groot geloof? Jezus bidt daarvoor: Luc.22:32 "Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken.". Wij mogen er ook voor bidden, zoals de discipelen in Luc.17:5 "Here: Geef ons meer geloof.". Soms moeten wij ook vasten, want de boze wijkt soms slechts wanneer wij bidden èn vasten. Rom.10:17 openbaart de bron van echt geloof: "Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus."; Dt.30:14 "dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart".. Wij hoeven daar dus niet voor naar Toronto of Nigeria te reizen. Wanneer wij meer geloof willen, groot geloof, moeten wij Gods Woord lezen en bestuderen, bijbelstudie volgen. Als wij in Jezus Christus geloven, en Zijn Woord en gehoorzamen, wanner wij ons niet laten weerhouden door een gevoel van on- of minderwaardigheid, en wanneer wij ons 100% aan de Heer geven en toewijden, hebben wij groot geloof.

De uitnodiging: Jezus vroeg: Luc.18:8 "als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?". Vindt Jezus geloof hier, vanmorgen? Hebt u geen geloof? Kom ook naar voren. De discipelen hadden ook geen geloof, toch stilde de Heer hun storm. Hebt u klein geloof? Kom ook naar voren en bidt: "Heer, kom mijn klein geloof tegemoet.". En een laatste bemoedigende vaststelling uit het verhaal van de genezing van de knecht van de Romeinse hoofdman: Jezus geneest ook op afstand. Wij mogen bidden niet alleen voor aanwezigen, maar ook voor afwezigen!

Amen.

 Terug naar ONTMOETING inhoud

5/2005