(36:22) Daarom, zeg tot het huis Israels: Zo zegt
de Here Here: niet om uwentwil doe Ik het, o huis Israels, maar om mijn
heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij
gekomen zijt.
(23) Ik zal mijn grote naam die onder de volken ontheiligd is, die gij te
midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat
Ik de Here ben, luidt het woord van de Here Here, wanneer Ik Mij voor hun
ogen aan u de Heilige zal betonen.
(24) Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen,
en Ik zal u brengen naar uw eigen land;
(25) Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein
worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; (26) een
nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart
van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees
geven.
(27) Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn
inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt.
(28) Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult
Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn.
(29) Ik zal u van al uw onreinheden verlossen, Ik zal het koren roepen en
het vermeerderen, en geen hongersnood over u brengen.
(30) Ja, Ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst van het veld
vermeerderen, opdat gij niet meer de smaad van hongersnood te dragen krijgt
onder de volken.
(31) Dan zult gij terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze,
die niet goed was, en gij zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en
uw gruwelen.
(32) Niet om uwentwil doe Ik het, luidt het woord van de Here Here; weet
dat wel! Schaamt u en wordt schaamrood over uw wandel, huis Israels.
Ezechiël 36:22-32
(10:17) En toen Hij op
weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieen en vroeg Hem: Goede
Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven?
(18) En Jezus zeide tot hem: Waarom
noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.
(19) Gij kent de geboden: Gij zult
niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult
geen vals getuigenis geven, gij zult niet ontvreemden, eer uw vader en moeder.
(20) Hij zeide tot Hem: Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn
jeugd af.
(21) En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij
hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben,
en kom hier, volg Mij.
(22) Maar zijn gelaat betrok bij dat woord en hij ging bedroefd heen, want
hij bezat vele goederen.
Marcus 10:17-22 |