|
Preken uit MarcusMarcus 10:17-22 |
Met geheel uw hart(Ezech. 36:22-32 - Marcus 10:17-22)
Toch is er iets merkwaardigs in dat verhaal, dat misschien niet onmiddellijk opvalt. Wanneer de jongeling aan Jezus vraagt, wat hij moet doen om het eeuwige leven te verwerven, dan zegt de Heer dat hij eenvoudigweg Gods geboden moet onderhouden, en Jezus begint die geboden op te sommen. We willen dat nog een keer samen lezen vanaf vers 19:
Een klassieke opsomming van de tien geboden, zult u zeggen. Maar er ontbreekt wel wat aan. Jezus laat hier, opzettelijk, een heel belangrijk deel van die geboden weg: er wordt immers alleen gesproken over de geboden die we moeten vervullen, tegenover onze naasten, tegenover onze medemensen! We weten allemaal dat Gods' geboden twee afdelingen hebben: een eerste deel dat betrekking heeft op onze houding tegenover de Heer zelf en dan pas een tweede gedeelte dat vertelt hoe we ons moeten gedragen tegenover onze medemensen. De opsomming die Jezus hier geeft, is dus onvolledig! Ik zei het reeds: ik ben ervan overtuigd dat Jezus hier opzettelijk een gedeelte van de geboden achterwege hield. Het is geen vergetelheid van Jezus en ook geen slordigheid van de evangelist die het verhaal heeft opgetekend. We vinden het relaas drie maal terug in het Nieuwe Testament, en drie maal lezen we diezelfde, onvolledige, opsomming! En precies daardoor worden er twee dingen duidelijk: Ten eerste: het antwoord dat de jongeling daarop gaf, dat antwoord hadden vele gelovigen kunnen geven. Dat antwoord kunnen ook de dag van vandaag nog veel mensen, die zich gelovig noemen, geven. En ik zou zelfs durven zeggen: niet alleen gelovigen. Zelfs in deze tijd, die we zonder meer "wetteloos" kunnen noemen, kunnen toch, gelukkig, nog veel mensen, met de hand op het hart zeggen: "Ik heb nog nooit iemand gedood; ik ben gehuwd met één vrouw en ik maak geen slippertjes; ik geef geen vals getuigenis of ik belaster niemand; ik steel niet en ik behandel mijn ouders met respect en liefde." U ziet het, het is niet enkel de rijke jongeling die dit antwoord aan Jezus had kunnen geven. Miljoenen hadden daar in zijn plaats kunnen staan en kunnen zeggen: "Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af". Meester... wat U daar zegt is helemaal niet zo spectaculair. Ik heb dat altijd al gedaan en ik heb het zelfs altijd vanzelfsprekend gevonden. U en ik, wij hadden daar misschien ook kunnen staan en hetzelfde antwoord geven aan de Heer Jezus. * * * Maar door dit onvolledig antwoord van Jezus en door de reactie van de jongeman op dat antwoord, wordt nog iets anders duidelijk gemaakt: Het enkel en alleen vervullen van die geboden, het feit dat die jongeman ervan overtuigd was dat hij een rechtvaardig leven leidde, gaf hem blijkbaar geen voldoening. Zelfs al kon hij in alle eerlijkheid en met zekerheid zeggen dat hij van in zijn jeugd Gods wetten zorgvuldig had gehoorzaamd, toch kwam deze jongeman vragen wat hij moest doen. Is dat niet precies wat velen gelovigen en ongelovigen in hun leven meemaken: dat "lege gevoel"? Ik doe mijn best om te leven zoals het hoort. Ik tracht "orde" in mijn leven te scheppen en ik hou mij aan de "gevestigde orde". En toch voel ik een "ondraaglijke leegheid". En het was niet anders in het leven van onze rijke jongeling: diep in zijn hart voelde hij aan en was hij er meer en meer van overtuigd geraakt: "Dit is nog niet alles, dit geeft mij nog geen vrede en geen rust... er ontbreekt nog iets in mijn leven; er moet toch nog meer zijn dan dat!" Die man was dus ernstig op zoek naar God en hij was reeds voor zichzelf tot de vaststelling gekomen dat je God niet kunt vinden door gewoon maar braaf en voorbeeldig te leven. Dan voldoe je enkel aan de uiterlijke dingen; dan ben je misschien wel voor de buitenwereld een ordentelijk en een keurig burger, maar dan blijf je binnenin koud en leeg. We lezen dan verder in het Marcus-evangelie dat Jezus die jongeman aanzag en hem lief kreeg. Want Jezus, die wist wat binnen in een mens leefde; Hij wist dat deze jongen het oprecht meende en alleen al dat feit is voor Jezus ruim voldoende om iemand lief te hebben: een oprecht hart... dat is het begin van het zoeken naar God. Maar die oprechtheid, die moest nog tastbaar worden in het leven van die jongeman. Jezus weet blijkbaar ook dat hij hier met een welgesteld iemand te doen heeft, dus Hij zegt dat zo iemand zijn oprechtheid best kan bewijzen door te tonen dat hij niet echt geHECHT is aan zijn rijkdom; dat hij bereid is, wanneer de Heer dat van hem verlangt, daar afstand van te nemen. Het gaat dus in wezen niet om die rijkdom, maar om wat in het hart van iemand omgaat. Jezus bedoelt niet en wil niet aantonen dat rijkdom, dat materiële welstand op zichzelf, iets verkeerd of iets zondig zou zijn. Helemaal niet! Wanneer die jongeling, die tot Jezus kwam, niet rijk geweest zou zijn, dan had Jezus hem natuurlijk iets heel anders opgedragen. Het gaat hier om datgene waarnaar het hart van iemand uitgaat. Jezus wil gewoon duidelijk maken: "Het gaat er bij mijn Vader niet om dat je deze geboden, die Hij gegeven heeft, dat je die geboden onderhoudt. Het gaat er om waarom je die geboden onderhoudt; het gaat om je beweegredenen; het gaat om datgene wat in je hart leeft! Dat, en dat alleen, is belangrijk! * * * Wanneer het eerste gedeelte van die geboden verwaarloosd wordt, dan geeft het onderhouden van de overige dus geen voldoening. Dan blijven we, ondanks al onze inspanning, met een leeg gevoel rondlopen. En ook dat eerste gedeelte kennen we wel. Jezus heeft het zo mooi samengevat en we hebben dat reeds zo vaak gehoord en gelezen, dat bekende vers uit Matteüs 22, vers 37:
Drie maal het woordje geheel! Met gans ons innerlijke, met geheel ons hart... daar gaat het dus om. Niet enkel door het uiterlijk volbrengen van geboden, hoe mooi en hoe prijzenswaardig dat ook is. Maar bij God telt de drijfveer, telt enkel het hart! We zeiden het al: mensen die de geboden onderhielden en onderhouden, die kan men genoeg vinden. Maar dat is voor de Here van heel weinig betekenis. In 2 kronieken, in hoofdstuk 25, lezen we de levensgeschiedenis van zo iemand. Het gaat hier over koning Amasia, en we lezen over hem in vers 2:
Dat stemt toch wel tot nadenken! Menselijk gezien was deze koning dus zonder meer een voorbeeldig vorst. Hij deed toch "wat recht is in de ogen des Heren", en dat kon lang niet van alle koningen van Israël gezegd worden... Maar ondanks het feit dat koning Amasia dus blijkbaar wél de geboden van God onderhield, liep het uiteindelijk slecht met hem af. U kan de geschiedenis thuis rustig nalezen. God wil dat we de dingen doen met een volkomen toegewijd hart. "Van ganser harte!" zouden we kunnen zeggen. Maar hier wordt het dan wel heel oprecht bedoeld; niet enkel als een tekst op een mooie wenskaart... * * * Wat moeten we nu precies doen, met geheel ons hart? Wanneer we de Bijbel er op nazoeken, dan vinden we wel een en ander waartoe we vermaand worden om het van ganser harte te doen. We willen deze morgen bij zes van die aanbevelingen stilstaan. Zes is een mooi getal: dan hebben we voor elk van de komende weekdagen een tekst om eens verder over na te denken! God vermaant ons Hem met geheel ons hart te ZOEKEN. Een heel duidelijke tekst kunt u vinden in 1 Kronieken, hoofdstuk 22, in vers 19:
God is met ons, is met u en met mij begaan. Hij wil naar ons luisteren, Hij wil ons horen. Hij wil dat we in gebed tot Hem komen maar Hij vraagt dan wel dat we het van ganser harte doen. Dat was de reden waarom Jezus die jongeman uit onze schriftlezing lief kreeg: omdat hij met een oprecht hart naar God zocht. Zoek de Here met geheel uw hart en met geheel uw ziel. Zet u er totaal voor in. Dat is het eerste wat ons gevraagd wordt. Zetten wij "alles op alles" om de Here dagelijks te zoeken. Als we dat inderdaad doen, dan zullen we beloond worden, want Hij heeft beloofd dat Hij zich laat vinden door wie Hem oprecht zoeken. Een tweede opdracht vinden we in Deuteronomium. We lezen het aan het eind van hoofdstuk 26 als een slotwoord, nadat er in de vorige hoofdstukken een lange opsomming van wetten en voorschriften werd gegeven. Je zou dan kunnen besluiten: "Kijk, het gaat opnieuw niet enkel om het volbrengen van al die grote en kleinere geboden, het gaat om je drijfveer". We lezen in vers 16:
God wil dat we hem van ganser harte GEHOORZAMEN. Hij wil dat we die gehoorzaamheid niet zullen ervaren als een vervelende verplichting maar dat we het met ons hart, met liefde dus, zullen doen. Iedereen weet dat er in feite twee vormen van gehoorzaamheid zijn; twee drijfveren waarom iemand gehoorzaamt. We kunnen gehoorzamen uit angst voor de straf die anders volgt. Maar God verlangt van ons dat we Hem gehoorzamen omdat we van Hem houden. Dat is een heel andere gehoorzaamheid. God wil ook dat we hem DIENEN met geheel ons hart. Voor ieder van ons heeft de Here een taak weggelegd en Hij wil dat we die opdracht uitvoeren. Maar God wil niet dat we die taak ervaren als een last, dat we ze volbrengen uit routine, uit plichtbesef, maar dat we het van ganser harte doen. Enkel dan zullen we ons werk voor Hem als een zegen kunnen ervaren. In 2 Kronieken, in de laatste verzen van hoofdstuk 31 lezen we over Jechizkia. Hij had het als een opdracht van de Here ervaren de tempeldienst in ere te herstellen, en deze man gaf in het vervullen van zijn roeping blijkbaar een krachtig getuigenis, want we lezen van hem in de vers 21:
Wat een machtig voorbeeld! Al wat deze Jechizkia deed voor de Here, dat deed hij met volle toewijding, van ganser harte, en God maakte hem voorspoedig. Ook voor U en voor mij heeft de Here een taak in Zijn Gemeente. Trachten wij die taak tot een minimum te beperken? Vervullen we ze uit plichtsbesef? Of zijn wij als Jechizkia en handelen wij "in al het werk met betrekking tot Zijn dienst" met volle toewijding? God verlangt ook dat we ons met geheel ons hart tot Hem BEKEREN. Zulk een bekering vraagt wel zekere offers van ons. Misschien moeten bepaalde dingen uit mijn of uit uw leven verdwijnen en opnieuw vraagt de Here dat we dat van ganser harte doen. Lezen we bijvoorbeeld 1 Samuël 7, vers 3:
Weer een ernstige vermaning: richt uw hart niet op afgoden, niet op wereldse dingen (want dat leidt tot de zo gevaarlijke "wereldgelijkvormigheid") maar richt uw hart volledig op de dingen van de Here! Dat verlangt God ook van ons! Daarmee zijn al aan een vijfde "hartezaak" toe: een hartezaak in de meest letterlijke zin van het woord! God wil dat we hem met geheel ons hart LIEFHEBBEN. Dat grote, dat grootste gebod, uit Deuteronomium 6 wordt in de Bijbel vele malen herhaald en beklemtoond (Deut 6, vers 5):
Dat moet dus de drijfveer zijn van al ons handelen en ons doen en laten. Wanneer die drijfveer ontbreekt, dan heeft al het overige geen betekenis, dan wordt het leeg en zinloos. Dan geeft zelfs het stipt vervullen van geboden geen voldoening meer. Geen voldoening voor God en ook geen vrucht voor ons. Dan zijn we gewoon wettisch bezig, en wie enkel wettisch is wordt hard en koud van binnen. In dat geval moeten we met dezelfde ingesteldheid als de rijke jongeling terug naar Jezus gaan en Hem opnieuw vragen: "Heer, wat moet ik nu toch doen om het eeuwige leven te verwerven"... omdat we hopelijk dan vroeg of laat diep in ons binnenste zullen aanvoelen dat we verkeerd bezig zijn. Gewoon omdat de liefde ontbreekt! Want zonder de liefde dient het alles tot niets. God wil dat we het doen uit liefde tot Hem... met geheel ons hart! * * * Dan is er nog iets. Als we al die dingen van ganser harte doen: God zoeken, God gehoorzamen, God dienen, ons tot Hem bekeren, Hem van harte liefhebben, dan moet dat ook aan ons te zien zijn. Wanneer we iets uit geheel ons hart doen, dan is het geen last, maar een lust. En het klinkt misschien wat vreemd, maar ook dat verlangt God van ons: dat we ons van ganser harte VERHEUGEN! Dat het aan ons te zien is dat we Hem niet volgen en gehoorzamen uit plichtbesef of uit angst of uit traditie of uit menselijk opzicht of om welke andere reden dan ook. Alles wat we voor de Here doen, alles wat Hij ons opdraagt, dat moet voor ons een vreugde zijn. We lezen Zefanja 3:14:
Wanneer we nog even verder lezen, dan zien we dat we alle reden hebben om ons van harte te verheugen:
Het mooiste wat we konden krijgen hebben we van God mogen ontvangen: vrij zijn van het gericht, van de veroordeling die we verdiend hadden, en een vijand die Hij voor ons verslagen heeft. Dat zeker reden genoeg om van ganser harte blij te zijn! En dat verwacht de Here dan ook. * * * Dat waren dus zes "harte-zaken"; zes opdrachten, waarvan God wil dat we ze van harte vervullen. Wanneer u aandachtig leest in de Bijbel, dan zul je er waarschijnlijk nog wel meer vinden. Maar we weten ook dat de Heer nooit "zo maar" iets van ons vraagt; Hij stelt er altijd wat tegenover. En de beloning die God schenkt aan diegenen die Hem ernstig zoeken met geheel hun hart, die Hem gehoorzamen met geheel hun hart, die Hem dienen met geheel hun hart, die Hem met geheel hun hart liefhebben, en die zich van harte in Hem verheugen, die beloning overtreft in ruime mate de inspanning die Hij van ons vraagt. Dan zullen we niet langer met een koud of met een onbevredigd hart rondlopen - zoals de jongeman uit ons verhaal - of met schuldgevoelens of minderwaardigheidscomplexen of wat dan ook. Dan zullen we ons niet leeg voelen en ons niet afvragen of het leven wel zin heeft... Dan zullen we onder andere die rijke belofte van de Here mogen ervaren, die we in het begin van deze samenkomst hebben gelezen in Ezechiël 36. We lezen samen opnieuw de verzen 25 en 26:
Amen. |
|
10/1998 |