|
Preken uit 1Korintiërs |
|
MAAR
IEDER BEPROEVE ZICHZELF (1
Korintiërs 11:17-34) Het
lied dat we zonet gezongen hebben - 838 uit Johannes de Heer: Wij hebben de
verlossing, in Jezus dierbaar bloed - was een keuzelied van mijzelf. Ik heb een
zeer speciale affectie met dat lied. Het is namelijk het allereerste lied dat ik
hoorde zingen toen ik de voor de eerste keer in de Evangelische kerk van Schelle
binnenkwam, nu zo'n goeie vijftien jaar geleden. Ik
snapte toen, eerlijk gezegd, nog niet zo heel veel van dat lied. Maar het is me
altijd wel bijgebleven. In
feite zijn er twee dingen uit die eerste samenkomst die me altijd
bijgebleven zijn. Je moet me na al die jaren niet meer vragen welk
schriftgedeelte er toen gelezen werd of ook niet waar de preek toen precies over
ging. Dat ben ik vergeten. Maar twee dingen ben ik altijd blijven onthouden. Eerst
en vooral dus dat lied. Ik heb om een of andere reden nooit kunnen vergeten. Vreemd...
dacht ik toen ik het de eerste keer hoorde. "Eén in de naam van
Jezus"; zingen ze hier. Merkwaardig. Ik kwam zelf uit een Kerk die zo prat
ging op haar eenheid: "De Roomse Kerk is één, heilig, katholiek en
apostolisch" - zo had ik dat vroeger uit het hoofd geleerd. Eén: omdat ze
één leer heeft en omdat ze één hoofd heeft, de Paus van Rome. En
deze mensen zingen ook dat ze één zijn. Eén in de naam van Jezus... één in
't geloof der Schriften... Dat zette me wel aan het denken. En dat is dan ook
misschien de reden waarom dat lied zo sterk in mijn herinnering is gebleven. Het
tweede dat me steeds is bijgebleven is het gebed dat de voorganger die
zondagmorgen bad. Neen... ik kan natuurlijk niet meer herhalen waarvoor hij toen
allemaal gebeden heeft, maar één voorbede ben ik blijven onthouden. De
predikant sprak toen namelijk in zijn gebed het verlangen uit dat ieder zich in
de komende week goed zou voorbereiden op het Heilig Avondmaal, dat men de
volgende zondag hoopte te vieren. En
ook dat is mij steeds bijgebleven. Het maakte echt een diepe indruk op mij. Het
trof mij, dat er aan de viering van het Avondmaal zo'n bijzonder belang werd
gehecht. En het maakte mij ook wat nieuwsgierig naar wat er die volgende zondag
precies gebeuren zou. Uiteraard begreep ik toen ook de betekenis van het Heilig
Avondmaal niet ten volle. *
* * Ondertussen
ben ik er wel achter gekomen dat het Avondmaal inderdaad een heel speciale
plaats inneemt in het leven van een christen. Ik zou zelfs durven beweren dat
het de centrale plaats zou moeten innemen in het leven van een bijbelgetrouwe,
evangelische gemeente. We kunnen in feite nooit genoeg de diepe betekenis van
het avondmaal onderstrepen. Zijn
wij, u en ik, ons echt wel voldoende bewust van die enorme betekenis van het
samen Avondmaal vieren. Bereiden wij ons, ieder persoonlijk, inderdaad
geestelijk goed voor op het vieren van het Avondmaal? En vieren wij het
Avondmaal met de juiste ingesteldheid? Dat zijn de twee belangrijke vragen, waar
we deze morgen willen bij stil staan. Twee
vragen die we, om goed te zijn, elke maand opnieuw in de Gemeente zouden moeten
durven stellen, en dan liefst in de week die vooraf gaat aan de viering van het
Heilig Avondmaal. Twee vragen, waar we in feite elke maand in onze persoonlijke
stille tijd opnieuw zouden moeten bij stil staan. Doen
we dat? Ieder moet nu maar voor zichzelf antwoorden. Ik wil eerlijk toegeven dat
zulks bij mij zeker niet altijd het geval is. Dit keer natuurlijk wel: het
voorbereiden van deze overdenking heeft me de afgelopen week herhaaldelijk
opnieuw bij de betekenis van het Avondmaal bepaald. Maar andere maanden overkomt
het mij ook wel eens dat ik plots denk: "Oh, is het Avondmaal
vandaag?". En dat is fout. Wat
is nu in feite de betekenis van dit Avondmaal. Waarom spreken we van het Heilig
Avondmaal en wat houdt het precies in? In
sommige kerken beschouwt men het Avondmaal als een sacrament. Dus kunnen we
eerst de vraag stellen: is het Heilig Avondmaal een sacrament. Ik zou met ja en
met neen kunnen antwoorden. Het
Avondmaal is geen sacrament in de betekenis dat het een ritueel zou zijn waaraan
speciale krachten worden toegekend. Het is evenmin een soort magische handeling.
Wij, als evangelische christenen, geloven niet dat er met het brood of met de
wijn iets bijzonders gebeurt op het moment dat de voorganger die woorden
herhaalt die Jezus tweeduizend jaar geleden uitsprak toen Hij het brood brak en
de beker doorgaf aan zijn discipelen. Wij zijn er van overtuigd dat het brood
dan gewoon brood blijft en de wijn gewone wijn. Maar
het Avondmaal is wel een sacrament in die zin dat het iets sacraals, iets
heiligs is. In het woord sacrament zit het begrip sacraal, heilig in verweven.
En ik geloof dat we zeer terecht van het Heilig Avondmaal spreken, omdat
het door Jezus - door God zelf - werd ingesteld. En
het werd door Jezus ingesteld op een heel bijzonder moment: slechts enkele uren
voor Hij Zijn lijdensweg begon. Niemand van de aanwezige apostelen kon op dat
moment de diepere betekenis van dat Avondmaal ten volle beseffen. Toen
Jezus die woorden uitsprak: "Doe dit tot Mijn gedachtenis", toen kon geen
van hen weten wat ze daar precies zouden mee moeten gedenken. Pas later hebben
ze de diepere betekenis van het breken van het brood en het drinken van de wijn
kunnen begrijpen. *
* * Maar
vanaf het ogenblik waarop de jonge Gemeente ten volle begrepen had wat Jezus
precies bedoeld had op die bewuste avond, zijn ze dat bevel van de Heer gaan
gehoorzamen en we lezen reeds in het boek Handelingen dat de eerste Gemeenten
samen kwamen om het brood te breken, om het Avondmaal te vieren dus. Er
komt een ietwat vreemde gedachte bij me op: we spreken, bij het lezen van het
lijdensverhaal, steeds over het laatste Avondmaal. In feite was het
tegelijkertijd het eerste Heilig Avondmaal... Waarom
wou Jezus nu dat zijn volgelingen van alle eeuwen dat zouden blijven doen:
samenkomen om brood te breken en de beker door te geven? Jezus
geeft daar Zelf het antwoord op: "Om Mij te gedenken; tot Mijn
gedachtenis". We
zijn allemaal mensen en we hebben dat nodig: een gedachtenis, een herinnering.
We zijn immers zo gauw geneigd om te vergeten. Wanneer we iets in onze
herinnering willen vasthouden dan hebben we een zichtbaar teken nodig, iets dat
ons telkens opnieuw vertelt: "Weet je nog wat hier precies gebeurd is...
weet je nog hoe het was?" In
het Oude Testament lezen we zo herhaaldelijk dat mensen een steen oprichtten om
een gebeurtenis die op een bepaalde plek had plaatsgevonden in de herinnering te
houden. Noach
kwam uit de ark, na de zondvloed, en bouwde daar een altaar. Op dat altaar werd
uiteraard een offer gebracht, maar het bouwsel zelf was als het ware een
gedenksteen om in herinnering te houden wat er precies gebeurd was. Toen
Jacob in Betel zijn visioen kreeg richtte hij daar een steen op om te blijven
herinneren welke beloftes hij daar aan God gedaan had; later zou de Here hem het
bevel geven terug te keren naar Betel om hem zo aan zijn belofte te herinneren. In
het begin van het boek Jozua lezen we hoe de Israëlieten, nadat ze door de
Jordaan het beloofde land waren binnen getrokken, een monument oprichtten met
twaalf stenen uit de Jordaan. Weer als een voortdurende herinnering aan wat God
voor hen gedaan had: "Wanneer
uw kinderen later vragen: Wat hebben deze stenen voor u te beteken? dan zult gij
tot hen zeggen: Dat de wateren van de Jordaan afgesneden werden voor de ark van
het verbond des Heren; toen deze door de Jordaan trok werden de wateren van de
Jordaan afgesneden; daarom zullen deze stenen voor de Israëlieten tot een
gedenkteken zijn voor altoos." En
wanneer het volk Israël aan het einde van het boek Jozua het verbond met de
Here hernieuwt te Sichem, dan wordt daar met een grote steen een altaar
opgericht om het volk voor altijd aan deze heilige belofte te herinneren. Als
mensen hebben we dat nodig: een gedachtenis. Wanneer iemand die ons dierbaar is
ons verliet of wanneer een dierbaar iemand voor langere tijd van ons weg gaat,
dan zullen we vaak een foto van die persoon een heel speciale plaats in ons huis
geven, opdat hij of zij regelmatig terug in onze herinnering zou komen. Dat
is de eerste functie van het Avondmaal: dat we er telkens opnieuw zouden aan
herinnerd worden dat Jezus zijn leven voor ons gaf, voor u en voor mij. Dat we
er telkens opnieuw zouden aan herinnerd worden dat Zijn lichaam voor mij
verbroken werd en dat Zijn bloed voor mij gevloeid heeft. Dat we er telkens
opnieuw zouden bij bepaald worden dat we zonder Zijn offer reddeloos verloren
zouden zijn. Het
is een herinnering voor onszelf en het kan tevens de aanleiding zijn tot een
getuigenis voor anderen, die onze samenkomsten bezoeken. Wanneer men ons vraagt:
"Waarom breken jullie brood en waarom geven jullie een beker met wijn door
aan mekaar", dan kunnen we antwoorden: "Omdat we er blijvend willen
aan herinnerd worden dat Jezus gestorven is voor onze zonden en omdat we er
telkens opnieuw willen bij bepaald worden dat enkel en alleen Zijn bloed ons
reinigt van alle zonden". Het
vieren van het Heilig Avondmaal geeft ook een zeker herkenningspunt: wanneer we
op een andere plaats een samenkomst van Christenen bijwonen en we zien daar de
tekenen van brood en wijn dan weten we dat ook daar mensen samen zijn die aan de
opdracht van Jezus gevolg willen geven en zo iets schept onmiddellijk een heel
speciale band. Was het niet door het breken van het brood dat de Emmausgangers
de Here Jezus herkenden? *
* * Het
Avondmaal heeft nog een andere, belangrijke functie: het is ook een ogenblik van
bezinning. We lazen daarstraks uit Paulus eerste brief aan de Korintiërs,
hoofdstuk 11. Een heel bekend gedeelte, misschien zelfs wat te bekend. Te
bekende schriftgedeelten hebben vaak de eigenschap dat je er te vlug gaat over
heen lezen, zonder dat je nog de tijd neemt om grondig tot je te laten
doordringen wat er in feite allemaal staat. En
dat is in dit geval doodjammer, want er staan een heleboel erg belangrijke zaken
in. In
de eerste plaats bevestigt dit gedeelte uit Paulus' brief dat het Avondmaal
reeds van bij het ontstaan van de Gemeente tijdens de samenkomsten werd gevierd.
Ook in de gemeente van Korintië kwamen broeders en zusters samen om aan Jezus'
oproep gehoorzaam te zijn: een maaltijd te vieren tot Zijn gedachtenis. In
de tweede plaats leren we - jammer genoeg - dat er reeds vanaf het prille begin
bepaalde misbruiken waren bij de viering van dat Avondmaal. Blijkbaar was het
toen nog een maaltijd in de meest letterlijke zin van het woord; niet alleen een
stukje brood en een klein slokje wijn... neen, er werd flink gegeten. Er werd
blijkbaar zo goed gegeten dat het een beetje begon te ontaarden in een
braspartij waar ieder zo veel mogelijk voor zichzelf nam. Het
feit dat er misschien nog anderen aan tafel zaten die er aan het einde van de
maaltijd nog altijd hongerig bij liepen werd volledig uit het oog verloren. Dus
we kunnen dan ook rustig aannemen dat de leden van deze gemeente ook van de
diepere betekenis van het Heilig Avondmaal niet zo erg meer doordrongen zullen
geweest zijn. En
dat is voor Paulus de aanleiding om ze eens opnieuw wakker te schudden en hen
duidelijk te vertellen wat het Avondmaal in feite is. Hij
begint met eerst heel kort opnieuw te vertellen wat er in het Evangelie over de
instelling van het Avondmaal precies geschreven staat: "Want
zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven
heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam,
de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit
tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en
Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls
gij die drinkt, tot mijn gedachtenis." En
dan gaat Paulus onderlijnen dat het hier om een ernstige zaak gaat en dat het
onwaardig deelnemen aan het Heilig Avondmaal heel serieuze consecwenties met
zich brengt: wie zoiets doet bezondigt zich aan het lichaam en bloed des
Heren. De
toon die Paulus hier aanslaat is niet mis te verstaan, zou ik zo zeggen. Wie
deelneemt aan het Avondmaal zonder dat hij of zij zich daar ernstig heeft op
voorbereid, die begaat een zeer ernstige zonde. Dit kunnen we niet in twijfel
trekken, het staat er overduidelijk.
Daarom
dat we ook haast elke keer, wanneer we het Avondmaal vieren, vragen dat iemand
die nog nooit heeft deelgenomen - en nog niet ten volle begrijpt waarover het in
feite gaat - zich dan ook van deelname zou onthouden, tot hij of zij met de
voorganger of één van de oudsten daarover heeft doorgepraat en het nodige
onderricht heeft ontvangen. Gewoon meedoen omdat de anderen het nu eenmaal ook
doen kan dus niet: zo iets is zonde. Dan
valt er nog iets belangrijks op. Paulus constateert niet alleen dat er in de
Gemeente van Korintië iets grondig mis is met de viering van het Heilig
Avondmaal maar Paulus stelt ook een vlijmscherpe diagnose; Paulus doorziet
onmiddellijk de oorzaak van die ontaarding. En die oorzaak schrijft hij neer in
het 18de vers van dit hoofdstuk: "Want
vooreerst is er, naar ik hoor, wanneer gij als gemeente samenkomt, verdeeldheid
onder u, en ten dele geloof ik dit. Want scheuringen moeten er wel onder u zijn,
zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan." Onderlinge
verdeeldheid! Dat is wat er mis is. En een verdeelde Gemeente kan nooit op een
waardige wijze het Avondmaal vieren. Want precies het Avondmaal is de uiting van
éénheid. Wij zijn, als alles goed is, één lichaam, omdat we deel hebben aan
dat éne brood... *
* * Vervolgens
springen we naar het 28ste vers en daar zegt Paulus dat deze droeve zaak enkel
kan veranderen wanneer we ons opnieuw ernstig gaan voorbereiden op de viering
van het Avondmaal: "Maar
ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker". En
dat is ons kernvers van vandaag: "Ieder beproeve zichzelf en ete dan van
het brood en drinke uit de beker". In dat vers staat meer in dan we bij
een oppervlakkige lezing zouden denken. Ieder
beproeve zichzelf. Het Avondmaal is niet bedoeld voor een kleine groep
"uitverkorenen", voor een beperkt aantal extra-geestelijke mensen,
voor een handjevol "super-christenen". Ieder die in Jezus gelooft en
die in zijn hart overtuigd is een kind van God te zijn, is uitgenodigd om deel
te nemen aan de maaltijd van de Here. Ieder
beproeve zichzelf. We moeten ons dus geestelijk goed voorbereiden. We
moeten grondig nagaan of we recht staan tegenover de Here en of we geen wrok
hebben tegen andere broeders of zusters. Paulus gebruikt het woord beproeven
en dat betekent heel wat meer dan even een vluchtig routine-onderzoek. Dat
beproeven brengt een aantal diepere consequenties mee. Wanneer er iets mis is
moeten we bereid zijn in onszelf door te graven tot op de kern van de zaak. Ieder
beproeve zichzelf. We moeten onszelf geestelijk onderzoeken. We
worden niet uitgenodigd om het proces van iemand anders te maken. We kunnen niet
bidden: "Here, ik kan niet deelnemen aan het Avondmaal omdat mijn
broeder of zuster eerst nog het een en ander in orde moet maken". Neen,
dat is mijn verantwoordelijkheid niet. De Here vraagt dat ik mijzelf
onderzoek en dat ik mijn eigen fouten en tekortkomingen en zonden beleid. En
wanneer ik die zonden wil belijden, dan mag ik ook geloven, moet ik ook
geloven, dat de Heer me die zonden en tekortkomingen en fouten zal vergeven. Als
ik dat niet geloof, als ik daar in de grond van mijn hart niet van overtuigd
ben, dan zet ik God mooi voor schut. Dan trek ik Zijn uitspraak in twijfel: "Komt
toch en laat ons tezamen richten, zegt de Here; al waren uw zonden als
scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn,
zij zullen worden als witte wol." Precies
de viering van het Heilig Avondmaal moet ons deze verzen van de profeet Jesaja
opnieuw in herinnering brengen: het is Jezus' bloed, en alleen Jezus bloed, dat
reinigt van alle zonden! Nu
kan ik mij wel voorstellen dat we op een bepaald moment in ons leven ons wel
eens geremd kunnen voelen om aan het Heilig Avondmaal deel te nemen. Ik
kan me heel goed indenken dat ik mezelf onderzoek en tot de conclusie kom:
"Heer, zo kan het niet... Er is iets zo grondig mis in mijn leven dat ik
daarover eerst met U in het reine moet komen. Er is een zonde in mijn leven, die
ik maar niet kan loslaten, waar ik U telkens opnieuw mee bedroef. Ik moet daar
de komende dagen nog verder kunnen over bidden, met U kunnen over praten en
ernstige pogingen ondernemen om daarvan bevrijd te worden...". Ik
kan heel goed begrijpen dat er een moment in mijn leven kan zijn dat de Here mij
uitnodigt tot de viering van het Heilig Avondmaal maar dat ik Hem moet
antwoorden: "Heer, nu kan het echt niet... Er is iets tussen mij en een
andere broeder of zuster dat ik eerst moet kunnen uitpraten. Er is door mijn
schuld iets fout gelopen dat ik eerst terug moeten kunnen recht zetten. Ik wil
eerst de komende dagen met hem of haar contact nemen en wilt U me dan helpen
zodat het terug goed komt tussen ons...". Maar...
wanneer we dan een maand later een nieuwe uitnodiging van de Here ontvangen,
kunnen we Hem dan opnieuw teleurstellen met dezelfde woorden? Zullen we dan oprecht
kunnen bidden: "Heer, ik ben er de afgelopen vier weken niet in geslaagd om
U vergeving te vragen voor een bepaalde zonde in mijn leven... Heer, ik heb in
de voorbije dertig dagen geen moment de tijd gevonden om mijn broeder of zuster
op te zoeken en te trachten om het van mijn kant terug in orde te
maken...". Ieder
onderzoeke zichzelf. Wanneer ik dus niet deelneem neem ik niet
deel omwille van mezelf. Jezus zelf nodigt mij uit om deel te
nemen aan Zijn maaltijd, om Zijn offer te gedenken. Ik mag me niet
van deelname onthouden, omwille van iemand anders. Ieder
onderzoeke zichzelf. Deelnemen aan het Heilig Avondmaal is een
persoonlijke zaak. De enige goede reden waarom ik niet zou deelnemen is dus
omdat er met mij persoonlijk iets niet in orde is. Kan ik een
persoonlijke uitnodiging van de Heer afwijzen om een andere reden? Zou
ik bijvoorbeeld in alle oprechtheid tot Jezus kunnen bidden: "Heer, ik wil
niet op uw uitnodiging ingaan, omdat ik het niet eens ben met de gang van zaken
in de Gemeente...". Ik denk dat we dit gebed enkel eerlijk kunnen bidden
wanneer we zelf mede-verantwoordelijk zouden zijn voor een foute gang van zaken.
Of kunnen we een uitnodiging van Jezus afwijzen, bij wijze van protest? *
* * "...Ieder
onderzoeke zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker",
schrijft Paulus. De
normale gang van zaken is dus, volgens Paulus en volgens de Bijbel, dat we
deelnemen aan het Avondmaal. De normale houding van een volgeling van Jezus is
dat hij op Jezus' uitnodiging ingaat. Op
een lichtvaardige of onwaardige wijze deelnemen aan het Avondmaal is een zeer
ernstige zaak. Op een lichtvaardige of onwaardige wijze niet deelnemen is
ook een ernstige zaak. Eens
vertelde Jezus de gelijkenis van de gasten die waren uitgenodigd op een
bruiloftsmaal. Ze kwamen niet. Ze waren wel niet zo onbeleefd om zomaar weg te
blijven maar ze kwamen met allerlei verontschuldigingen aandraven. We
weten allemaal hoe deze gelijkenis verder ging... Anderen mochten ingaan tot het
bruiloftsfeest, al moest de heer ze van de straten gaan halen. Amen. |
|
2 juni 1991 |