Preken uit Koningen

BEVRIJDING
2 Koningen 5:1-14


"Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats."

INLEIDING
Houd uw Bijbel open a.u.b.! Naäman was een grote man, een topgeneraal, een krijgsheld, een man met grote macht, groot aanzien en grote rijkdom. Hij stond in hoge gunst bij de koning van zijn land - Aram (vandaag: Syrië - toen, zoals nu, een buurland en een artsvijand van Israël) en blijkbaar ook bij de Heer, want: "door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken". Hier is dus een man die alles heeft: rijkdom, eer, macht, aanzien ... maar ... er was één grote "maar" in zijn leven: hij was melaats! Is er een "maar" in uw leven? Het gaat prima op vele gebieden in uw leven, maar ergens is er een "maar" - b.v. een zonde die u niet kunt overwinnen, hoewel u ze dikwijls beleden hebt, er minstens 70 x 7 vergeving om gevraagd hebt en evenveel keren aan uzelf, aan de Heer, en misschien aan anderen beloofd om ze nooit meer te doen; een lichamelijke of mentale ziektetoestand waar u niet van geneest ondanks dat u dikwijls naar dokters gelopen bent, onderzoeken bent ondergaan, medicamenten geslikt hebt, de voorgeschreven behandelingen trouw gevolgd hebt, en zelfs ondanks dat er veel voor u gebeden werd. Of is uw "maar" een geestelijke "maar" - b.v. gebrek aan stabiliteit in uw christelijk leven, twijfel, ongeloof, moeite om regelmatig te bidden en/of de Bijbel te lezen, ontrouw aan de Heer en Zijn gemeente. Of misschien is de "maar" in uw leven een probleem op uw werk, of in uw huwelijk, of met uw kinderen, of een financiële nood, of onzekerheid wat uw toekomst betreft - een "maar" die een leven (grondig) verstoort dat anders gelukkig, vreedzaam en voorspoedig zou zijn. "Maren" kunnen op zich erg klein zijn, en toch een onevenredige invloed in en op ons leven hebben - een beetje gelijk kiespijn: wanneer wij tandpijn hebben, lijkt het alsof ons heel lichaam pijn doet, hoewel een tand eigenlijk nog geen één percent van onze lichaamsvolume voorstelt!

De "maar" van de grote Syrische krijgsheld Naäman is een heel erge "maar", nl. een ongeneeslijke ziekte: melaatsheid. In bijbelse tijden werd melaatsheid gevreesd zoals kanker vandaag. Gelijk kanker, begint melaatsheid ook meestal vrij klein - b.v. een wit plekje dat zich geleidelijk uitbreidt. Ledematen worden gevoelloos, gekwetst en misvormd - een langzame, pijnlijke, maar zekere dood waartegen toen noch medicijnen noch behandelingen bestonden. Erger nog: in bijbelse tijden beschouwde men melaatsheid eerder als een geestelijk dan een medisch probleem. Man had dus eerder bevrijding dan genezing nodig.

Wie onder ons heeft één of meer "maren" in hun leven? (Wees niet bang, ze blijven geheim; ik ga u niet vragen om ze openlijk te beschrijven). Ik ook! "Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats.". Wat komt na v.1? Juist: v.2: "De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naämans vrouw.". Een nogal vreemde wending, niet waar? V.1 stelt ons één van de belangrijkste mensen in de wereld voor; v.2 verlegt het spotlicht naar één van de ónbelangrijkste mensen in de wereld - een anoniem, buitenlandse slavinnetje. Waarom? Kijk naar wat er na v.2 komt. Welk is het eerste woord van v.3? Juist: "en": "En zij zeide tot haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen.". "En" duidt aan dat het laatste woord nog niet is gezegd, dat er nog iets komt. De hoop van de "en" in v.3 buigt de hopeloze doodsvonnis van de "maar" in v.1 in een sprankje levende hoop om. Wat het anoniem, buitenlandse slavinnetje zegt, klinkt ongelooflijk. Iedereen in de ganse wereld weet dat melaatsheid ongeneeslijk is, maar zij beweert het tegendeel!

Zouden wij het slavinnetje geloven? Men zou waarschijnlijk meer geneigd zijn om er aandacht aan te schenken als de koning het zou verklaren, zoals wat de paus in Rome verkondigt meer kans maakt op een melding in het nieuws van 7 uur dan wat wij in de Evangelische Kerk te Hoboken prediken. Maar vergis u a.u.b. niet: de kracht van een boodschap hangt niet af van de boodschapbrenger, maar wel van de inhoud van de boodschap! Onze facteur bij voorbeeld geeft helemaal geen krachtige indruk. Hij lijkt een heel gewoon mannetje dat zijn werk met weinig enthousiasme verricht. Het scheelt hem blijkbaar niet of onze brieven in de daartoe bestemde brievenbus terechtkomen of gewoon op de vloer belanden. En ik ben al naar het postkantoor gaan reclameren omdat hij verschillende keren gewoon een verwittigingkaartje in de bus stak i.p.v. aan te bellen en te wachten dat ik naar beneden kom om voor een aangetekende brief te tekenen of een pakje in ontvangst te nemen dat niet door het gat van de brievenbus kan. Ik heb zelfs gedreigd om hem geen "gelukkig nieuwjaar" meer te wensen indien het dit nog eens durft. Ik verwacht dus nooit veel van de boodschappen die onze facteur in onze brievenbus steekt. Zoals koning Achab van Israël over de profeet Micha zei: 1 Kon.18:22 (Het Boek) "hij komt nooit eens met goede profetieën. Hij heeft altijd wel iets onheilspellends te vertellen.". Meestal is het zo. Hij brengt meer facturen en reclame dan wat anders. Maar schijn kan bedriegen. Verleden week gooide hij een brief van het Ministerie van Financiën op de grond - meestal een doodsvonnis, niet waar? Met bevende, zwetende handen deed ik hem open. Het eerste woord dat mij opviel, in vette hoofdletters gedrukt, was: "teruggave"! Beoordeel de boodschap dus niet aan de gestalte van de boodschapbrenger. Beoordeel de preken die u in deze kerk hoort a.u.b. niet naar de boodschapbrenger - of hij of zijn oud of jong is, ervaren of onervaren, binnen- of buitenlander, Nederlands- of anderstalige. Beoordeel alle boodschappen aan de hand van hun bijbelse inhoud. (Voordat ik echter verder ga met mijn prediking vandaag: voor alle duidelijkheid: sta a.u.b. straks niet in de rij met uitgestrekte handen. Het bedrag van onze belastingteruggave zal de staatsschuld niet de hoogte injagen …!)

"Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats. 2 De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naämans vrouw. 3 En zij zeide tot haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen." Broeders en zusters: achter al onze "maren" komen Gods "ens". Want: Mt.19:26 "bij God zijn alle dingen mogelijk.". Wij zeggen: "ik heb al zoveel keren geprobeerd om mijn zonde te overwinnen maar ik herval telkens weer. God antwoordt door monde van de profeet Jesaja: Jes.1:18 "Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Here; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.". De dokter zegt: "uw ziekte is ernstig maar er is niets aan te doen". God antwoordt, weer door monde van de profeet Jesaja, ditmaal profetisch verwijzende naar Jezus: Jes.53:5 "om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden.". Laat ons nooit naar de leugens van de duivel luisteren en geloven dat er niets aan onze "maren" te doen is. Na elk van onze "maren" komt altijd één van Gods "ens". Gods "ens" kunnen uit een onverwachte hoeken komen - niet altijd van oude, wijze voorgangers, oudsten of bijbelleraars maar ook van jonge of pasbekeerden. In de ogen van de belangrijke hoogwaardigheidsbekleders van het machtige land Aram is een onbelangrijk, nederig slavinnetje uit Israël de onwaarschijnlijkste bron van een leven gevende boodschap voor een ter dood veroordeelde topgeneraal. Niemand verwacht iets belangrijks uit haar mond te horen. En toch brengt haar opmerking een reeks gebeurtenissen op gang die een doodsvonnis in genezing veranderen en een heiden tot geloof in God brengt. De profeet Zacharia vraagt: 4:10 "wie veracht de dag der kleine dingen?". Jezus gebiedt: Mt.18:10 "Ziet toe, dat gij niet één dezer kleinen veracht.". De apostel Paulus schrijft: 1 Cor.1:28 "wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren". Hebt u uw Bijbel nog altijd open? Kijk nu a.u.b. nu naar v.4: de "maar" in v.1, en de "en" in v.3, worden gevolgd door een "toen" in v.4: "Toen kwam hij en deelde het aan zijn heer mee: Zo en zo heeft het meisje uit het land van Israël gesproken.". Naäman besloot om aandacht te schenken aan de onwaarschijnlijke, weinig geloofwaardige boodschap van het anoniem, onbelangrijk slavinnetje, en dat was het begin van zijn verlossing. Hoeveel van ons die "maren" in ons leven hebben, volgen zijn voorbeeld en ondernemen daar iets tegen? Of luisteren wij alleen passief naar de prediking, zonder er bij stil te zijn dat God Zijn boodschap wil gebruiken om ons over te brengen uit de donkere, uitzichtloze tunnel van onze hopeloze "maren" in Zijn hoopgevende "ens" die licht aan het einde van onze tunnel doen schijnen? De boodschap alleen horen, zonder daar iets mee te doen, verandert nooit een "maar" in een "en". Zoals "Het Boek" Jac.1:21b-22 weergeeft: "Wees dankbaar voor het geweldige nieuws dat wij ontvangen hebben, want daardoor kan onze ziel gered worden. 22 Maar naar dat nieuws moet u niet alleen luisteren, u moet er ook naar handelen.".

1. JORAM T/O ELISA
Vv.5-7 "De koning van Aram zeide: Welaan, ga heen, ik wil een brief aan de koning van Israël zenden. Zo ging hij heen en nam met zich mee tien talenten zilver (= 300 kg), zesduizend sikkels goud (66 kg) en tien bovenklederen. 6 Hij bracht aan de koning van Israël de brief, waarin geschreven stond: Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn dienaar Naäman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid.". Maar het paleis van koning Joram in Samaria is helemaal niet het juiste adres om bevrijd te worden van melaatsheid. Koning Joram was een zoon van Israëls beruchtste koning Achab en hij erfde zijn vaders goddeloze verdorvenheid: 2 Kon.3:2 "Hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren". Koning Joram weet duidelijk minder over de God van Israël dan zijn onderdaan - het slavinnetje dat nu in Syrië verblijft. En dus: v.7 "Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn klederen en zeide: Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken, dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen? Voorzeker, let op, ziet: hij zoekt een voorwendsel tegen mij.". Israël en Syrië waren al jaren verbeten vijanden. Uit nog vrij recente geschiedenis weet koning Joram dat het kleine, zwakke, nauwelijks uitgeruste leger van Israël in de pan gehakt zal worden indien het machtige leger van Syrië hem met zijn allermodernste wapens aanvalt. Koning Joram schat het hele gebeuren totaal verkeerd in, en concludeert dat het verzoek van de koning van Syrië om verlossing voor zijn melaatse generaal Naäman, niets anders is dan een list om een excuus te creëren om Israël aan te vallen.

Trekken wij gelijk koning Joram ook onmiddellijk negatieve conclusies wanneer wij plotseling of onverwachts met schijnbare dreigingen geconfronteerd worden. De ongeestelijke, goddeloze koning Joram, die geen geestelijk inzicht heeft, snapt helemaal niet wat zich hier afspeelt. God is bezig om een geweldig wonder voor te bereiden maar hij vreest dat Israëls dagen geteld zijn, voor zijn troon en zelfs voor zijn leven. Koning Jorams reactie is begrijpelijk maar fout. Zoals het slavinnetje zei, er ís er een man Gods in Israël: v.8 "Zodra Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had, zond hij tot de koning de boodschap: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hij toch tot mij komen, opdat hij wete, dat er een profeet in Israël is.". Elisa verneemt hetzelfde nieuws als Joram, maar hij reageert totaal anders. Joram panikeert, scheert zijn klederen, wanhoopt, verklaart zich volkomen machteloos en kijkt de toekomst zeer somber tegemoet. Elisa, de profeet Gods, blijft volkomen rustig en nodigt de terminale zieke Naäman om tot hem te komen.

2. ELISA T/O NAÄMAN
De afstand van Jorams koninklijk paleis te Samaria naar Elisas bescheiden woning te Dotan is amper 10 km; even later belt Naäman dus aan bij de profeet Elisa. Een knecht komt opendoen en ziet Naäman en zijn hele karavaan voor de deur staan, maar nodigt de generaal niet binnen. Even later komt hij terug: v.10 "Elisa zond een bode tot hem met de opdracht: Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn."! "Naäman: u gaat uit uw nood bevrijd worden; u gaat verlost worden van uw melaatsheid. Roep 'halleluja', Naäman!".

3. NAÄMAN T/O ELISA
Hoe ongelooflijk het ook klinkt, Naäman roept niet "halleluja". Integendeel: v.11 "Toen werd Naäman toornig"! Hoe is dit mogelijk? Hoe komt dit? Waarom is hij niet oergelukzalig met Elisas voorschrift dat volkomen verlossing garandeert en zijn doodsvonnis in een levensbelofte verandert? Waarom wordt hij kwaad wanneer hij hoort dat hij bevrijd gaat worden, en niet sterven, maar leven? Omdat hij alles behalve gelukkig is met de voorgeschreven behandeling! "Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn.". Naäman zegt kwaad: Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de Here, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen." Eigenlijk versta ik zijn reactie wel. Als ik terminaal ziek word en voor de eerste keer op consultatie bij een topspecialist ga, zal ik op zijn minst een grondig onderzoek verwachten door de grote dokter zelf, met röntgenfoto's, scanners, bloedtesten enz. en niet slechts een voorschrift afgeleverd, zonder enige ontmoeting of lichamelijke onderzoek, door een assistent! "Het Boek" geeft de toon van Naämans reactie wellicht wat nauwkeuriger weer: "Dat is me wat moois! Die man zou toch op z'n minst naar buiten kunnen komen om mij te woord te staan. Ik verwachtte dat hij met zijn hand over de melaatse plekken zou strijken, de HERE, zijn God, zou aanroepen en mij zou genezen.". Naäman voelt zich beledigd en vernederd omdat de profeet hem de gebruikelijke eer niet bewijst en hij is niet geneigd om een behandeling voor zijn terminale ziekte te ondergaan wanneer de specialist die hem het voorschrift voor de behandeling stuurt hem niet eens gezien heeft, laat staan onderzocht! Ja, ik versta zijn reactie.

Dat is nog niet alles. Er is ook nog een serieus probleem met de behandeling zelf: "Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan" - zo'n miezerig, smal, ondiep riviertje? V.12 "Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden? Daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid." "Naäman: pas nu goed op. U bent gevaarlijk bezig. U speelt letterlijk met uw leven. U maakt een kritieke misrekening die u uw wonder zal kosten - gelijk de ongelovige Thomas wanneer hij uw voorbeeld acht eeuwen later zal volgen: Joh.20:25 "Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven."". De eerste reden waarom wij een wonder missen, is dat wij geen aandacht aan Gods boodschap schenken. Een tweede reden is omdat wij ons tot de verkeerde helper richten - een wereldse machthebber i.p.v. een godsman. Een derde reden is omdat wij vinden dat de godsman - of de kerk - ons niet correct behandelt. En een vierde reden is omdat wij hoogmoedig voorwaarden stellen die God dient te vervullen vooraleer wij Zijn wonderplan goedkeuren en er onze medewerking aan verlenen.

Een twintigtal jaren geleden, om kwart voor middernacht - wij lagen al in bed -, kwam er telefoon van een jonge broeder die mij vroeg om onmiddellijk naar hem toe te komen. Ik wist dat hij alleen thuis zou zijn want hun eerste kind was een paar dagen daarvoor geboren en zijn vrouw lag nog in het moederhuis. Ik kleedde mij aan en reed naar hem toe. Zij waren onlangs verhuisd en ik was nog niet op hun nieuw adres geweest. Het duurde dus even voordat ik hun gelijkvloersappartement vond. De voordeur stond op een kier en hij riep: "kom binnen broeder". Hij was zo dronken dat hij niet kon staan, en lag huilend op bed. Ik vermoedde al eerder dat hij alkolieker was. Hij was zijn werk al kwijt door de drank en leefde van de dop. Maar hij had er nooit met mij over willen praten. Nu praatte hij er wel over: "Breng mij a.u.b. naar het ziekenhuis, broeder. Ik ga een antibuus laten steken zodat ik niet meer zal kùnnen drinken. Ik heb alles om gelukkig te zijn: een gelukkig huwelijk, een mooi appartement, nu een gezond babytje, maar ik verbrot alles door de drank.". Hoorde u zijn "maar"? Ik weigerde in te gaan op zijn verzoek om ziekenwagen te spelen. Ik antwoordde ten eerste dat hij eerst nuchter moest worden voordat hij besloot hoe hij zijn drankprobleem wilde aanpakken, en ten tweede dat hij moest besluiten tussen een medische en een geestelijke oplossing voor zijn nood. Als hij voor de medische oplossing koos, diende hij een ambulance te bellen; als een geestelijke oplossing hem interesseerde, mocht hij beroep doen op een voorganger. Hij reageerde teleurgesteld, zoals Naäman: "Ik had verwacht dat u mij naar het gasthuis zou brengen". Ik bad met hem, nam afscheid van hem en nodigde hem uit om mij te bellen indien hij het toch met de Heer wou proberen. 'S anderendaags rond 16 uur belde hij. Of ik weer wilde komen. Toen ik aankwam zat hij in de zetel met barstende hoofdpijn maar wel nuchter. "Ik heb erover nagedacht; ik wil het toch met de Heer proberen.". Om een lang verhaal kort te maken: ik heb hem mogen begeleiden door een periode van strijd tot overwinning. De Heer bevrijdde hem totaal van de drank. Hij is nooit teruggevallen. Vandaag dient hij de Heer trouw, in een andere gemeente.

4. NAÄMAN T/O ZIJN DIENAREN
"Naäman (werd) toornig en ging heen, terwijl hij zeide: Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de Here, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. 12 Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden? Daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid.". Naäman loopt weg van het wonder dat hem van zijn melaatsheid zou bevrijden en zijn leven zou redden. Maar gelukkig komt er nu nóg een "toen": v.13 "Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en gij zult rein worden?". Naämans dienaren geven verlossende, levensreddende raad. Ik vraag mij af of zij psychologie hebben gestudeerd. Want zij verstaan dat het gemakkelijke dikwijls moeilijker voor ons is dan het moeilijke! "Had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen?" Gods oplossingen zijn dikwijls veel gemakkelijker dan wij denken. Vele godsdiensten maken verzoening voor zonde erg moeilijk - b.v. door boetedoeningen, offers brengen, zelfkastijding enz. voor te schrijven, terwijl de Bijbel zegt: 1 Joh.1:9 "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.". Vele mensen maken overwinning over zonde erg ingewikkeld, en schrijven lange psychologische of pastorale begeleidingen voor, vrijwel altijd gepaard met grote, haast bovenmenselijke inspanningen tot zelfbeheersing, al dan niet onder controle van zielzorgers, terwijl het bijbelse recept voor overwinning van zonde eigenlijk zeer eenvoudig is: koning David in Ps.34:14: "wijk van het kwade en doe het goede"; de Heer Jezus, nadat Hij aan de vrouw vergaf die op heterdaad van overspel betrapt was: Joh.8:11 "Ga heen, zondig van nu af niet meer!"; de apostel Paulus aan de Thessalonicenzen: 1 Th.5:22 "Onthoudt u van alle soort van kwaad.". Hoor ik u zeggen, zoals Naäman: "Ik geloof toch niet in de Jordaan; dat kàn niet voldoende zijn; ik moet betere rivieren hebben. Belijdenis en bekering zullen mij geen vergeving en verlossing van zonde brengen"? Of hoor ik u iets anders denken: "U kan wel zeggen: 'als u van de zonde of één andere "maar" af wilt, stop er gewoon mee'; ik zou wel willen; ik heb het al geprobeerd - meermaals zelfs - maar het lukt mij niet"? O,o: gelijk Naäman riskeert u uw bevrijdingswonder te missen. Gods geboden zijn niet onmogelijk. Met Gods hulp lukt het wel om ze te gehoorzamen. De apostel Paulus vertelt ons hoe: Fil.4:13 "Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft.". Herinnert u zich vanwaar Paulus deze woorden schreef? Vanuit een luie stoel op het strand van één van de Middellandse Zeehavensteden die hij op één van zijn zendingsreizen aandeed en toen hem alles voor de boeg ging? Neen: vanuit zijn dodencel in de gevangenis te Rome waar hij, menselijk gezien totaal machteloos is om iets aan zijn hopeloze omstandigheden en zijn uitzichtloze toekomst te veranderen en waaruit, menselijk gezien, geen bevrijding mogelijk is. Wij, die lange tijd met "maren" in ons leven kampen, kunnen ons wellicht een beetje met Paulus identificeren. En met Gods hulp kunnen en mogen wij ook met overwinnend geloof getuigen: "Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft.".

Naäman liet zich door zijn dienaren overtuigen. Hij reed door, naar de rivier de Jordaan. Ziet u hem zich tegen zijn goesting en zonder veel overtuiging voor de ogen van zijn dienaren uitkleden, het vaak troebele water van de rivier de Jordaan inlopen en zich daarin onderdompelen? Ik zie hem de eerste keer naar boven komen, naar zijn lichaam kijken en denken: "Zie je wel, er gebeurt toch niks". Ik zie hem de tweede keer naar boven komen en zeggen: "Zie je wel, had ik het niet geweten: er gebeurt niks". Ik en ben vrijwel overtuigd dat als ik in zijn plaats was geweest, ik het na de derde keer gewoon was opgegeven. "U ziet het wel. Ik maak mij hier belachelijk. Zoals ik verwachtte, heeft het miezerige Jordaanwater helemaal geen geneeskundige kracht. Dacht ik niet dat die profeet Elisa een kwakzalver was?" Maar Elisa had gezegd: "baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden", en tot mijn verbazing houdt Naäman het vol en voert hij Elisas behandelingsvoorschrift nauwkeurig en volledig uit: v.14 "Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; (en nu komt de tweede, laatste beslissende "en") en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein.". Wanneer? Wanneer werd Naäman van zijn "maar" verlost? Zodra hij Gods voorschrift volledig en stipt uitvoerde. Hierin schuilen twee laatste lessen. Wij hebben al vier gehad: 1. aandacht schenken aan Gods boodschap; 2. ons richten tot een godsman i.p.v. een wereldse machthebber; 3. die godsman niet afschrijven wanneer hij ons niet behandelt zoals wij verwachten; 4. geen eigen voorwaarden stellen om Gods wonderen; en nu: 5. Gods behandelingsvoorschrift nauwkeurig en volledig uitvoeren, in elk detail, tot in de puntjes; en 6. Niet opgeven; ermee doorzetten zelfs indien er geen onmiddellijke resultaten zichtbaar zijn.

CONCLUSIE
Voor allen die last hebben van een "maar" in hun leven: mag ik de rol van het onbelangrijke, anonieme, slavinnetje spelen dat in God geloofde, dat de algemene mening niet deelde dat er tegen "maren" niets te doen was, en die de moed opbracht om de ter dood opgeschrevene te bemoedigen om toch, alsnog, bevrijding van zijn "maar" bij de Heer te zoeken? Wat God voor Naäman deed, kan Hij en wil Hij ook voor ons doen.

Amen

 Terug naar ONTMOETING inhoud

2004