God weigeren
INLEIDING
Een kleine jongen kwam naar huis na de kerk. Zijn moeder vroeg: "Waar ging het over in de zondagsschool?" Zoonlief antwoordde: "o, een stom verhaal over een ongehoorzame predikant die overboord van een schip werd gegooid en door een duikboot gered werd." Mama keek haar zoontje ongelovig aan: "Ik geloof u niet. Bent u zeker dat de zondagsschooljuf het precies zó heeft verteld?" "Neen", gaf het jongentje toe, "maar als ik navertel wat zij gezegd heeft, zult u het zeker niet geloven!" Er zijn velen die het boek Jona afschrijven als een komisch sprookjesverhaal. De Joden niet! Zij lezen het hele boek Jona voor in hun synagogen tijdens de eredienst op de heiligste dag van hun kalender - Yom Kippoer. Niet de wet; niet de psalmen; niet één van de "grote" profeten, maar het boek Jona. De andere heilige Schriften komen andere dagen aan bod, maar op Yom Kippoer wordt het hele boek Jona in de synagoge voorgelezen. Waarom wordt voorrang gegeven juist aan dit boek? Omwille van twee belangrijke lessen die daarin staan, nl. wat gebeurt wanneer men "neen" zegt tegen God, en wat gebeurt wanneer men "ja" zegt tegen God.
Het verhaal begint met Gods roeping: 1:1-2 "Het woord des Heren kwam tot Jona, de zoon van Amittai: 2 Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en predik tegen haar … 3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht des Heren". God roept Jona; Jona zegt: "neen". Jona was niet de eerste die "neen" tegen God zei, en lang niet de laatste!
1. THOMAS: NEEN TEGEN GELOOF
Joh.20 verhaalt de verschijning van de opgestane Jezus aan Zijn discipelen in de opperkamer op de avond van Paaszondag: vv.19-20 "Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u! 20 En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Here zagen.". Maar niet àlle discipelen waren verblijd: vv.24-25 "Tomas, één der twaalven, genaamd Didymus, was niet met hen, toen Jezus daar kwam. 25 De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Here gezien! Maar hij zeide tot hen: Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.". Thomas zei: "neen" tegen het geloof: "Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.". 2.000 jaar later draagt hij nog altijd de bijnaam "ongelovige Tomas". Er zijn vele "ongelovige Tomassen" - mensen die geloven in een historische Jezus, mensen die geloven dat Jezus leefde en stierf, maar niet dat Hij opstond uit de dood. In 1 Cor.15:17-19 beschrijft de apostel de gevolgen van een evangelie die op Goede Vrijdag ophoudt, en niet tot Paaszondag doorgaat: "indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. 18 Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. 19 Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.". Jezus zegt dat ongeloof ons echter niet alleen in dit leven tot de beklagenswaardigste van alle mensen maakt, maar dat ongeloof ons eeuwig veroordeelt: Joh.3:18 "Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God." Geloven en ongeloof zijn keuzes: men kiest om in God te geloven of niet, zich tot Jezus te bekeren of niet, Hem te volgen en te gehoorzamen of niet.
Waarom weigert Thomas om te geloven? Omdat hij de getuigenis van zijn medediscipelen niet gelooft (hoe komt het dat men bereid is om te geloven wat vrienden zeggen over van alles en nog wat, doch niet wanneer het om geloof gaat?); omdat hij de profetieën uit de heilige Schriften en zelfs Jezus' eigen woorden niet gelooft; en omdat hij eigen geloofsvoorwaarden stelt: "Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.". Tomas schrijft God voor wat Hij moet doen, om zijn geloof te "verdienen". Maar vv.26-27 "na acht dagen waren zijn discipelen weer in het huis en Tomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zeide: Vrede zij u! 27 Daarna zeide Hij tot Tomas: …". Wat gaat Jezus tegen ongelovige Tomas zeggen? Jezus heeft het ongeloof van Tomas gezien; Hij heeft Tomas zijn getuigenis van ongeloof gehoord: "Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.". 27 Daarna zeide Hij tot Tomas: …". Wat? "Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt Mij een aanstoot" (Mt.16:23) zoals aan Petrus destijds? Of: "Hoe hebt gij geen geloof?" zoals aan de discipelen na het stillen van de storm? Neen: Jezus verwijt Tomas niet. Hij trekt hem niet met zijn nekvel op tot Zijn hoog geloofsniveau. Integendeel: Jezus daalt neer tot Tomas zijn laag ongeloofsniveau: "Daarna zeide Hij tot Tomas: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig.". Hoe reageert Tomas nu? "Ik geloof het niet; het kan niet waar zijn; U bent dood! Ik heb u met mijn eigen ogen aan het kruis zien sterven? U kùnt niet levend zijn!"? Neen: wanneer ongelovige Tomas de opgestane, levende Jezus persoonlijk ontmoet, ruilt hij zijn ongeloof onmiddellijk in voor geloof: v.28 "Tomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Here en mijn God!". Één ogenblik bij Jezus, één woord van Jezus, één ontmoeting met Jezus, en ongelovige Tomas wordt gelovige Tomas, ongelovige Tomas, zonder Jezus, zonder genade, zonder hoop, zonder vreugde, zonder vrede, zonder toekomst, zonder zekerheid van eeuwig leven, wordt gelovige Tomas mèt Jezus, mèt genade, mèt hoop, mèt vreugde, mèt vrede, mèt toekomst, mèt eeuwig leven: "Mijn Here en mijn God!". Broeders en zusters: dit is een merkwaardige belijdenis, want het is de eerste maal dat één van de discipelen van Jezus Hem "God" noemt. De discipelen hadden Jezus reeds "Heer", "Zoon Gods", zelfs "Zoon van de levende God" maar nog nooit "God". Maar nu belijdt ex-ongelovige, nu gelovige Tomas: "mijn Heer en mijn God" - niet alleen "Heer" en "God", maar "mijn Heer en God".
2. DE RIJKE JONGELING: NEEN TEGEN OPGEVEN
Mijn tweede voorbeeld vanmorgen is geen ongelovige discipel, maar een kandidaat-discipel die zeer gelovig is. In Marc.10 lezen wij over een rijke jongeling die: v.17 "op (Jezus) toe(liep), op de knieën viel en Hem vroeg: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?". Vv.18a,19-20 "Jezus zeide tot hem: … 19 Gij kent de geboden: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, gij zult niet ontvreemden, eer uw vader en moeder. 20 Hij zeide tot Hem: Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af." Deze gelovige is niet alleen een gelovige, maar ook een konsekwente gelovige! Niet alleen gelooft deze rijke jongeling in Gods Woord, hij gehoorzaamt het ook. Maar hij wil meer dan alleen geloven, en hij wil meer dan alleen naar Gods wetten leven; hij wil een discipel van Jezus worden.
Het volgende vers treft mij geweldig: v.21 "En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief" - zo lief, dat Hij hem uitnodigt om Hem te volgen, één van Zijn discipelen te worden! Maar om Jezus te volgen en Zijn discipel te worden, volstaan geloof in Jezus en gehoorzaamheid aan Gods geboden niet. Er is nóg iets nodig: "Één ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben, en kom hier, volg Mij.". Dit antwoord van Jezus wordt door bijbelcommentaren op verschillende wijzen uitgelegd. Sommigen geloven dat Jezus de rijke jongeling openlijk streng berispte, en dat Hij hem bevàl om zijn goederen te verkopen. Ik ga daar persoonlijk niet mee akkoord. De houding van de rijke jongeling getuigt m.i. van de zuiverheid van zijn hart en van zijn bedoelingen. Rijken zijn niet gewoon om voor armen te knielen. Neen, in mijn verbeelding zie ik Jezus zachtjes naast deze rijke jongeling neerknielen, Zijn arm rond zijn schouder leggen, en bijna fluisterend tot hem zeggen: "Één ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben, en kom hier, volg Mij." Een uitnodiging - een persoonlijke uitnodiging - om zich bij de twaalven te voegen: "kom hier, volg Mij.". V.22 "Maar zijn gelaat betrok bij dat woord en hij ging bedroefd heen, want hij bezat vele goederen." Sommige bijbelcommentaren denken dat de rijke jongeling boos werd omdat Jezus hem vroeg om afstand te doen van zijn rijkdom. Maar de Bijbel zegt niet dat hij boos werd; de Bijbel zegt dat hij bedroefd werd: v.22 "zijn gelaat betrok bij dat woord en hij ging bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.". Dit is uniek. Alle anderen die gelovig en verlangend naar Jezus kwamen, gingen verblijd heen. Maar deze rijke jongeling gaat bedroefd heen. Waarom? Omdat hij niet bereid is om iets op te geven. Hij zegt "neen" tegen Jezus omdat hij niet bereid is om "neen" te zeggen tegen zijn vele goederen. Hij gelooft de Schriften; hij gehoorzaamt Gods wetten; hij gelooft in Jezus; hij wil een volgeling, een discipel van Jezus worden; hij wordt bijna een volgeling, een discipel van Jezus! Bijna, maar niet. Integendeel: "hij ging bedroefd heen". Waarom? Omdat hij zijn gelegenheid niet neemt; omdat hij zijn kans mist; omdat hij iets toelaat om in de weg te komen, voorrang te nemen; omdat hij weigert om iets op te geven - dat laatste, dat enige dat nog in de weg stond van volkomen overgave aan de Heer, dat laatste, dat enige dat nog in de weg stond van Jezus te volgen en Zijn discipel te zijn.
Zijn er ook hier "bijna-discipelen" zoals de rijke jongeling? U bent geen "ongelovige Tomas". U gelooft wel in Jezus. U doet uw best om naar Gods Woord te leven en Zijn geboden te gehoorzamen. Maar u weet dat er iets in uw leven is dat u afremt om Jezus volkomen te volgen, iets dat u verhindert om u volkomen aan Hem te geven, iets dat u belet om Zijn volmaakt plan, Zijn roeping en de bediening die Hij u wil geven te aanvaarden. Een ongelovige is geen gelovige, en een bijna-discipel is geen discipel! Waar blijft de rijke jongeling wanneer Petrus, Johannes en Jakobus en de anderen met Jezus rondreizen? Nog altijd in zijn dorp in Judea, passende op zijn vele goederen. Waar is de rijke jongeling wanneer Petrus, Johannes en Jakobus en de andere discipelen Jezus zieken zien genezen, bezetenen zien bevrijden, en doden zien opwekken? Nog altijd in zijn dorp in Judea, passende op zijn vele goederen. Waar is de rijke jongeling wanneer Petrus, Johannes en Jakobus en de andere discipelen naar Jezus' prediking en onderwijs luisteren? Nog altijd in zijn dorp in Judea, passende op zijn vele goederen. Waar is de rijke jongeling wanneer Petrus, Johannes en Jakobus en de andere discipelen getuigen zijn van Jezus' dood, opstanding en hemelvaart? Nog altijd in zijn dorp in Judea, passende op zijn vele goederen. Waar is de rijke jongeling wanneer Petrus, Johannes en Jakobus en de andere discipelen met de Heilige Geest gedoopt worden, het Woord verkondigen, bekeerlingen dopen, zieken genezen, bezetenen bevrijden, en doden opwekken? Nog altijd in zijn dorp in Judea, passende op zijn vele goederen. En waar is de rijke jongeling nu, terwijl Petrus, Johannes, Jakobus en de andere discipelen al meer dan 19 eeuwen van de hemel genieten? Ik weet het niet. Maar al meer dan 19 eeuwen niet meer in zijn dorp in Judea, passende op zijn vele goederen. Ik vrees dat hij zegen, blijdschap, vreugde, vrede, wonderen en overwinning gemist heeft, gewoon en alleen omdat hij weigerde om op te geven, wat hem verhinderde om Jezus te volgen.
3. JONA: NEEN TEGEN ROEPING EN BEDIENING
Nu, terug naar Jona: "Het woord des Heren kwam tot Jona, de zoon van Amittai: 2 Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en predik tegen haar … 3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht des Heren". Tomas zei "neen" tegen geloof; de rijke jongeling zei "neen" tegen opgeven; Jona zegt "neen" tegen Gods roeping en "neen" tegen de bediening die God hem wil geven. Jona ging "weg van het aangezicht des Heren". Hij onttrok zich aan Gods wil en gebod, maar ook aan Gods leiding en bescherming. De Heilige Geest, gaat niet mee, wanneer wij opzettelijk uit Gods wil stappen. Maar satan gaat wel mee! Jona vindt direct een schip, dat in precies de tegenovergestelde richting ging. Hebt u ook bemerkt hoe gemakkelijk de duivel het ons maakt om weg te gaan van God en om de Heer ongehoorzaam te zijn? Hij voorziet ons zelfs in een hele lijst van aanvaardbaar klinkende excuses, zodat wij ons geweten kunnen sussen met b.v. "God verstaat het …"; "ik ben er nog niet klaar voor …"; anderen doen het ook - of niet …"! Jona gaat scheep, en valt in slaap (v.5d). Geruststellende duivelse leugens wiegen ongehoorzamen gemakkelijk in slaap.
Maar schone liedjes duren niet lang, en Jona komt in een storm terecht. V.4 onthult ons iets dat wij niet zouden van verwachten, nl. dat de storm waarin Jona terecht komt, door God is gezonden: "de Here wierp een hevige wind op de zee en er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te worden stukgeslagen.". Stormen in het leven van gelovigen worden meestal niet veroorzaakt door God, maar door de duivel. Het is toch belangrijk om te weten wie de storm veroorzaakt. Indien het de duivel is moeten wij hem bestrijden, maar indien het God is, moeten wij de lessen verstaan die Hij ons daardoor wil leren. Hoe onderscheiden wij tussen Gods stormen en die van de duivel? De apostel Paulus, die heel wat ervaring van stormen had en tijdens zijn vele reizen minstens driemaal schipbreuk geleden heeft en zelfs een volle etmaal in volle zee doorbracht (2 Cor.11:25), schrijft hoe wij onderscheiden tussen levensstormen die door de duivel veroorzaakt worden, en levensstormen die God stuurt, nl. aan de hand van de droefheid die de stormen bewerken. Alle levensstormen veroorzaken droefheid. Maar de uitwerking van deze droefheid is niet altijd identiek, en aan de hand van wat deze droefheid bewerkt, kunnen wij onderscheiden of de storm door de duivel, of door de Heer veroorzaakt wordt: 2 Cor.7:10 "De droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood.". Als de storm in ons leven geestelijk dodelijk dreigt te worden, wordt hij door de duivel veroorzaakt. Als hij ons echter tot inkeer en tot heil brengt, is hij van God.
De storm waarin Jona terecht komt, is van God: 1:4-12 "de Here wierp een hevige wind op de zee en er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te worden stukgeslagen. 5 De schepelingen werden bevreesd en riepen ieder tot zijn god, en zij wierpen de lading die in het schip was, in zee om het daardoor lichter te maken. Jona echter was in het ruim van het schip afgedaald, en hij had zich daar neergelegd en was in een diepe slaap gevallen. 6 En de gezagvoerder kwam bij hem en zeide tot hem: Hoe kunt gij zo vast slapen! Sta op, roep tot uw god, misschien zal die god onzer gedenken, zodat wij niet vergaan. 7 En zij zeiden tot elkander: Komt, laat ons het lot werpen, opdat wij te weten komen door wiens schuld dit onheil ons treft. Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona. 8 Toen zeiden zij tot hem: Deel ons toch mee, door wiens schuld dit onheil ons treft; wat is uw bedrijf en vanwaar komt gij, wat is uw land en van welk volk zijt gij? 9 En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreeër en ik vrees de Here, de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft. 10 Toen vreesden die mannen met grote vrees en zij zeiden tot hem: Wat hebt gij toch gedaan? want die mannen wisten, dat hij op de vlucht was, weg van het aangezicht des Heren, want dat had hij hun medegedeeld. 11 En zij vroegen hem: Wat zullen wij met u doen, opdat de zee ophoude tegen ons te woeden, want de zee wordt hoe langer hoe onstuimiger. 12 Hij antwoordde hun: Neemt mij op en werpt mij in de zee, en de zee zal ophouden tegen u te woeden. Want ik weet, dat door mijn schuld deze zware storm tegen u is opgestoken." Hier begint de ommekeer. Ongehoorzaamheid en vlucht veranderen in overgave en onderwerping. V.15 "Daarna namen zij Jona op en wierpen hem in de zee, en de zee hield op met woeden." Vv.17-2:1 "de Here beschikte een grote vis om Jona in te slokken. Jona was in het ingewand van de vis drie dagen en drie nachten. 1 En Jona bad tot de Here, zijn God, uit het ingewand van de vis.". Luistert naar zijn getuigenis: vv.2-7,9 "Hij zeide: Ik riep uit mijn nood tot de Here en Hij antwoordde mij; uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem. 3 Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zee, en een waterstroom omving mij; al uw brandingen en uw golven gingen over mij heen. 4 En ik, ik zeide: verstoten ben ik uit uw ogen, zou ik ooit weer uw heilige tempel aanschouwen? 5 Wateren omringden mij, zij bedreigden mijn leven, de diepte omving mij, met zeewier was mijn hoofd omwonden. 6 Tot de grondvesten der bergen zonk ik neer; de grendelen der aarde waren voor altoos achter mij. Toen trokt Gij mijn leven uit de groeve omhoog, o, Here, mijn God! 7 Toen mijn ziel in mij versmachtte, gedacht ik de Here, en mijn gebed kwam tot U in uw heilige tempel. … 9 met lofzegging wil ik aan U offeren … de redding is des Heren.". V.10 "En de Here sprak tot de vis en deze spuwde Jona uit op het droge."
4. JONA: JA TEGEN ROEPING EN BEDIENING
Wat denk u dat er gebeurde nadat Jona terug op het droge kwam? 3:1-2 "Het woord des Heren kwam ten tweeden male tot Jona: 2 Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot u spreken zal." - precies dezelfde roeping als daarvoor! Gods plan is vertraagd, maar niet veranderd. God verandert niet. Bij Hem is er: Jac.1:17 "geen ommekeer is of zweem van ommekeer.". En: Rom.11:29 "De genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk"! "Het woord des Heren kwam ten tweeden male tot Jona: 2 Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot u spreken zal." God geeft het niet op. Hij geeft ons niet op. Hij blijft roepen totdat wij gehoorzamen. De tweede keer dat God roept gehoorzaamt Jona wel: 3:4-6 "Jona begon de stad in te gaan, een dagreis, en hij predikte … 5 En de mannen van Nineve geloofden God en riepen een vasten uit en bekleedden zich, van groot tot klein, met rouwgewaden. 6 Toen het woord de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn opperkleed af, trok een rouwgewaad aan en zette zich neder in de as.". Wat een contrast! Toen hij ongehoorzaam was, en wegliep van de Heer, kwam hij snel in een storm terecht. Maar zodra hij zich omkeerde, en gehoorzaamde, kende zijn bediening geweldig succes!
CONCLUSIE
Tomas zei "neen" tegen geloof; de rijke jongeling zei "neen" tegen opgeven; Jona zei "neen" tegen roeping en bediening. Zei Jezus ooit "neen" tegen God? Bijna. Weet u waar? Ja, in de Hof van Getsemane, waar God Hem vraagt om te doen wat de Mens in Hem eigenlijk niet wil. De hevigste strijd die ooit in de geschiedenis van het heelal werd gestreden, gaat over een uur of drie aanvangen - een strijd die Hij bovendien helemaal alleen gaat aanbinden. Want Zijn discipelen, die op één na nu liggen te slapen, zullen Hem verraden, verloochenen en verlaten. Jezus weet precies welke verschrikkingen, pijnigingen en vernederingen Hem te wachten staan. Hij weet dat Hij, Die geen zonde gekend heeft, voor ons tot zonde gemaakt zal worden, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem (2 Cor.5:21). Hij weet dat Hij om onze overtredingen doorboord zal worden en om onze ongerechtigheden verbrijzeld; en dat de straf die ons de vrede aanbrengt, op Hem zal worden gelegd (Jes.53:5). Hij weet dat wanneer Hij, "het Lam Gods, de zonde der wereld wegneemt" (Joh.1:29), de hemel de zonde zo afschuwelijk zal vinden dat het licht van de middagzon drie uren lang verduisterd zal worden - een donkerheid zo zwaar verdrukkend en beangstigend voor Jezus dat Hij zal roepen: Mt.27:46 "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?". Begrijpelijk dat Hij aan Zijn discipelen belijdt: Mt.26:38 "Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe.". En hélemaal begrijpelijk dat Hij Zich met het aangezicht ter aarde werpt en bidt, zeggende: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan" (v.39). Broeders en zusters: hier op aarde zullen wij nooit weten hoe dicht onze Heiland kwam bij het roepen van die meer dan twaalf legioenen engelen die de Vader Hem ter beschikking beloofde om Hem te redden (Mt.26:53). Wat wij echter wel weten, is dat Hij de strijd tegen de duivel streed, en dat Hij grandioos overwon. "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.". Hoe denkt u dat Jezus deze woorden bad? Huilend: "niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."? Zuchtend: "niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."? Ik kan het niet bewijzen, maar ik geloof dat Jezus het in triomf uitriep: "niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt." Jezus kan - en mag - "neen" tegen God zeggen. Maar Hij verkiest bewust om "ja" te zeggen! Hij verkiest Gods wil boven Zijn eigen wil. Hij verkiest om Zich te laten arresteren, honen, folteren en veroordelen. Hij verkiest om veracht, bespuwd en naakt te hangen aan het ruw houten kruis te Golgota. Hij verkiest om pijn, dorst, zwakheid en dood te verdragen. Waarom? Ongeveer drie jaren geleden heeft Jezus Zijn discipelen verteld: Joh.4:34 "Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen.". En ook ongeveer drie jaren geleden heeft Hij Zijn discipelen leren bidden: Mt.6:9-10 "Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede". Nu, als Jezus dit gebed Zelf in de Hof van Getsemane bidt, weet dat Hij daar eigenlijk Zijn eigen dood mee verzegelt. Geen wonder dat Hij zo dodelijk beangst werd en des te vuriger bad (Luc.22:44).
Wij hoeven niet te wachten totdat wij Jezus, morgennamiddag, Goede Vrijdag, rond 3 uur horen roepen: Joh.19:30 "Het is volbracht!" om te weten hoe deze grootste geestelijke strijd in de geschiedenis van de wereld gaat aflopen. Wij weten het nu al, zo'n 12 uren eerder, hier in de Hof van Getsemane, wanneer wij Hem horen bidden: "niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."! De duivel heeft Hem beproefd en verzocht tot het uiterste, totdat "zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.". Maar hier, alleen, in de Hof van Getsemane: Col.2:15 "heeft Hij de overheden en machten ontwapend en … over hen gezegevierd."!
Zijn er "ongelovige Tomassen" in ons midden vanmorgen? "Wees (niet: "word", maar: wees"!) niet ongelovig, maar gelovig.". Zeg niet langer: "neen" tegen het geloof; niet langer: "neen" tegen Jezus"; niet langer: "neen" tegen vergeving van zonde en eeuwig leven". "Wees niet ongelovig, maar gelovig.". Zeg vandaag aan Jezus: "Heer, ik geloof dat U de opgestane Zoon van God, de levende Heiland, bent. Vergeef mijn zonden en schenk mij het eeuwig leven a.u.b.." Zijn er "rijke jongelingen" hier vanmorgen - mensen aan wie God vraagt om iets op te geven: een zonde, een slechte gewoonte, een onjuiste houding, een verkeerde relatie? Ga niet bedroefd heen, uit deze dienst. Geef op wat u ook verhindert om Jezus te volgen. Zijn er "Jona's" onder ons - mensen die door God geroepen worden om zich tot Hem te bekeren, te laten dopen en met Zijn Heilige Geest te worden gedoopt; broeders en zusters geroepen tot een bediening in Zijn Koninkrijk? Hebr.3:7b-8a "Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet". Brengt dit strijd met zich mee? Bidt met de Heiland: "niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt." en overwinning is verzekerd! De luidste "ja" die wij ooit tegen God kunnen zeggen, is: "niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."! De grootste en de zekerste en de volledigste overwinning die wij ooit over de duivel kunnen halen, is met vrijwillige, volle overgave te bidden: "niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."!
Amen.
|