Preken uit Hebreeën

Hebreeën 11:13-16

Want Hij had hun een stad bereid

(Hebreeën 11: 13-16)

Het is opvallend hoeveel dichters, componisten en schrijvers er in de loop der tijd een relatie hebben gelegd tussen de Herfst en het afscheid nemen van dit leven. Het is niet toevallig dat in onze westerse traditie deze periode van het jaar werd uitgekozen om op een of andere manier diegenen te herdenken die van ons zijn heengegaan.

In onze moderne en "verlichte" tijd praten we niet graag meer over dood en sterven. Soms heb ik de indruk dat dit onderwerp het enige taboe is dat overeind bleef. Je mag over alles praten, op alles kritiek uitoefenen, over alles je eigen mening verkondigen maar over dood en sterven wordt er liever niet gesproken. Mensen weten er blijkbaar geen raad mee.

Ik vind dat eerlijk gezegd ook niet abnormaal. Zelf heb ik het er ook wel moeilijk mee: hoe ga je er mee om? Hoe kun je een persoon, die kort geleden iemand heeft verloren die hem of haar heel dierbaar was, troost brengen? Hoe ga je met zo'n diep verdriet om? En misschien is de vaststelling dat ik zo veel moeite heb om iemand anders te troosten in zo'n verlies het bewijs dat ik er zelf nog niet helemaal mee klaar ben.

Want de dood is voor ons mensen zo iets "definitief", zo iets "onomkeerbaar". En je kunt misschien bijna alles wat er in de Bijbel staat ontkennen en tegenspreken maar tegen een aantal uitspraken in verband met de dood heb je geen enkel verweer:

"En zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven" Een vers uit deze zelfde Hebreeënbrief (Heb. 9:27).

Of een misschien nog meer bekende uitspraak uit het boek Psalmen:

"De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; wat daarin onze trots was, is moeite en leed, want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen." (Psalm 90:10)

Ik weet wel dat er ook in ons midden broeders en zusters zijn die deze magische grens van 80 reeds voorbij zijn; dat zijn dan de héél sterken.

Alhoewel het onderwerp dus zeker niet populair is, wil ik deze morgen dan toch even stil staan bij wat de Bijbel ons over de dood en over het leven na dit leven wil leren. Omdat ik geloof dat het heel belangrijk is dat we daar een duidelijk inzicht in hebben; omdat ik denk dat we anderen pas op de juiste manier kunnen troosten en bemoedigen wanneer we zelf doordrongen zijn van wat Jezus ons hierover te vertellen heeft. Omdat we geen boodschap van leven kunnen brengen als we over de dood zwijgen.

En wat zeker ook niet onbelangrijk is: ik geloof dat wij zelf pas een zinvol en vreugdevol leven kunnen hebben, wanneer we een juist besef hebben van wat ons na dit leven te wachten staat. Ik werd me daar pas van bewust toen ik eens ergens deze uitspraak las (ik geloof dat ik ze in een boek van de Joodse rabijn Kushner ben tegengekomen):

"Je kunt pas echt leven, wanneer je geen angst meer hebt om te sterven".

Dat vond ik eerlijk gezegd een heel rake opmerking. Je kunt pas echt genieten van dit leven, wanneer je je angst om te sterven hebt overwonnen. Je kunt enkel en alleen een diepere zin aan dit leven geven, wanneer je je bewust begint te worden dat het einde van ons verblijf op deze aarde niet het einde van het leven betekent.

En daarom geloof ik dat de allerbelangrijkste woorden, die er ooit op deze wereld werden uitgesproken, deze woorden van Jezus zijn die werden opgetekend in Johannes 11, vers 25:

"Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven".

Want door deze uitspraak heeft Jezus aan het woord "leven" een heel nieuwe betekenis gegeven. Sinds Jezus deze woorden heeft uitgesproken is het leven niet langer een periode die begint bij onze geboorte en die eindigt bij ons sterven. Neen! Hier leert Jezus ons dat het leven na dit leven verder gaat voor wie in Hem gelooft.

En door Zijn opstanding uit de dood heeft Jezus bewezen dat Zijn woorden waar zijn. Door uit de dood op te staan toonde Jezus dat Zijn woorden geen holle worden waren, maar waarheid. En daarom is deze uitspraak uit Johannes 11:25 voor mij de belangrijkste uitspraak die ooit iemand heeft gedaan en is de opstanding van Jezus voor mij het belangrijkste feit uit heel de geschiedenis van de mensheid.

"Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven".

Op de Paasmorgen werd deze uitspraak bekrachtigd door de vraag die de twee engelen stelden aan de vrouwen uit Galilea:

"Wat zoekt gij de levende bij de doden?" (Lukas 24:5)

Het klinkt voor anderen misschien wat vreemd om in deze tijd van het jaar ­ waarin heel veel mensen dan toch even zullen stil staan bij sterven en dood ­ de Paasboodschap te laten horen. Maar voor ons gelovigen moet dit heel vanzelfsprekend zijn, want de Opstanding van Jezus is het enige juiste antwoord op sterven en dood.

De Bijbel gaat het onderwerp "dood" in ieder geval niet uit de weg; de Schrift vertelt ons heel vaak en heel indringend over het einde van het leven op deze aarde en we zouden daar zonder veel moeite een hele reeks Bijbelstudies kunnen aan wijden. Deze morgen wil ik mij beperken tot ­ volgens mij althans ­ drie belangrijke dingen die Gods Woord mij over de dood leert.

* * *

Een eerste belangrijke stelling is deze: de dood zal mij alle materiële dingen ontnemen die ik op deze aarde bezit of bezeten heb. Ik mag mezelf omringen met de grootste kostbaarheden die iemand zich zou kunnen aanschaffen; ik mag in een huis wonen dat is opgetrokken uit de duurste en meest duurzame materialen en dat is ingericht met de meest gesofistikeerde toestellen die je je kunt indenken en dat versierd is met de meest fantastische kunstwerken die er ooit door mensenhanden werden gemaakt.

Ik mag in de meest luxueuze auto rondrijden die met de huidige technologie kan gebouwd worden en in de duurste en meest modieuze kleren rondlopen en ik mag mijn vakanties doorbrengen op de meest exotische bestemmingen de dag van mijn overlijden zal ik van dat alles niets kunnen meenemen.

In Lukas 12 vertelt Jezus het indroevige verhaal van een man die heel zijn leven had ingezet om zijn bezit maar steeds te vermeerderen. In mijn ogen is het echt het verhaal van een man van onze tijd; misschien wel van een man van alle tijden, maar zeker van deze tijd waarin wij leven...

Is het soms geen typisch kenmerk van onze huidige samenleving dat de voornaamste prioriteit van velen is om altijd meer te verdienen, altijd meer winst te maken, het eigen vermogen steeds te doen groeien. Een bedrijfsleider die moet toegeven dat zijn firma dit jaar maar net zoveel winst heeft gemaakt als in het vorige boekjaar, wordt vaak als een mislukkeling beschouwd.

En precies zo was het ook met die man in het verhaal van Jezus: hij had al zoveel bezit verzameld, en nu zei hij weer tot zichzelf: "Laat me nu nog één grote schuur bouwen, en die ook volledig volstouwen, en dan kan ik er van genieten!". We lezen in Lukas over het zielige lot van deze man en we leren welke les Jezus daaraan koppelde:

"Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn? Zo vergaat het hem, die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God. En Hij (Jezus) zeide tot zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten of over uw lichaam, waarmede gij u zult kleden. Want het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding."

Dat moeten we goed voor ogen houden: voor iemand die het opstapelen van materieel bezit tot zijn of haar hoogste prioriteit heeft gemaakt, heeft God maar één woord: "dwaas". Wel, dan denk ik dat er vandaag veel dwazen rondlopen op deze wereld.

Zij kunnen vandaag enorm rijk zijn, zelfs op de top-tien staan van de rijkste mensen op deze planeet; als bezit hun enige drijfveer is dan zullen ze op de dag van hun sterven bij de allerarmsten gerekend worden! Niets! Geen "penny" zullen ze van hier kunnen meenemen. En ook dat is een waarheid die niemand kan ontkennen.

* * *

Een tweede belangrijk feit dat Gods Woord mij leert over de dood is dit: "De dood zal ons tijdelijk scheiden van onze geliefden". Sterven is voor ieder van ons "afscheid nemen" en iedereen die afscheid neemt laat iemand achter. Maar wie in Jezus gelooft mag weten dat dit afscheid een "tot weerziens" is een geen "vaarwel".

De Bijbel leert mij niet precies wat het leven na dit leven inhoudt; hij geeft mij wél de zekerheid dat dit leven zal verdergaan en dat hetgene wat voor ons ligt in niets te vergelijken zal zijn met datgene wat achter ons ligt.

Dit Boek leert mij dat mijn stoutste verwachtingen en mijn geweldigste fantasieën ver zullen overtroffen worden. De apostel Paulus was geen dromer, maar een heel nuchter man. Hij was iemand met een degelijke opleiding; zonder twijfel een van de grootste geesten van zijn tijd. Hij was iemand die alles ernstig bestudeerd en onderzocht had en die dan ook in staat was om met gelijk wie in discussie te gaan. Hij was diep overtuigd van de Bijbelse waarheid, omdat hij in staat was om duidelijk aan te tonen dat Gods Woord dé waarheid was.

Deze Paulus was er ook zeker van dat het leven na dit leven verder gaat en dat ieder die in Jezus gelooft een geweldige toekomst tegemoet gaat. In de eerste brief aan de Korintiërs getuigt hij dan ook:

"Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben." (1 Kor. 2:9 )

En Paulus kon die zekerheid alleen baseren op de Paasboodschap, op het feit dat Jezus is opgestaan uit de dood en dat Hij leeft. Op het feit dat diezelfde Jezus heeft gezegd, in Johannes 14:19:

"Ik leef en gij zult leven"

Die verrezen Jezus heeft ons verzekerd dat er in het Huis van Zijn Vader "vele woningen" zijn en diezelfde Jezus, die door Zijn Opstanding heeft bewezen dat de dood niet het einde is, is naar dat Huis van Zijn Vader weergekeerd en heeft beloofd dat hij daar voor ons een plaats ging klaar maken.

En daarom ­ enkel en alleen daarom ­ weet ik zeker dat ik in die plaats mijn geliefden, die in datzelfde geloof zijn gestorven, zal terugzien. Daarom weet ik zeker dat zij verder leven nadat zij hun lichaam ­ "deze tent" zoals Petrus dat noemt ­ verlaten hebben.

Paulus maakt in de tweede brief aan de Korintiërs ook die prachtige vergelijking tussen onze "aardse tent" en onze toekomstige verblijfplaats:

Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.

Daarom geloof dat ik diegenen die mij zijn voorgegaan op dit moment niet meer kan zien, maar dat zij mij wél zien en dat zij ginds op mij wachten. Ik kan me geen voorstelling maken van de plaats waar ze zich bevinden en ik kan me ook niet inbeelden hoe ze er nu, in hun verheerlijkte toestand, precies uitzien... Maar ik zal hen zeker en vast herkennen en zij zullen mij herkennen. En ik zal de plaats waar zij nu reeds vertoeven vast en zeker ook een fantastische woning vinden.

Voorlopig kan ik geen kontakt met hen hebben, omdat hun nieuwe wereld in niets te vergelijken is met onze wereld. Het is heel moeilijk om dit te begrijpen, en nog moeilijker om het uit te leggen. Maar onlangs las ik in een boek een mooie vergelijking die me heeft geholpen om er toch iets van te begrijpen.

Deze tekst wil ik wel even voorlezen; hij werd geschreven door een zekere Walter Dudley Cavert, en luidt als volgt:

"Op de bodem van een oude vijver leefden larven die niet konden begrijpen waarom niemand uit hun groep ooit terug kwam nadat ze waren opgekropen tegen de stengels van de lelies die op het water dreven.

"Zij beloofden elkaar dat de volgende die werd geroepen om de klim naar boven te maken, terug zou komen om te vertellen wat er met hem was gebeurd.

"Al gauw voelde één van hen de innerlijke drang om het oppervlak op te zoeken; hij rustte boven op een lelieblad uit en onderging een glorieuze verandering die van hem een libel met prachtige vleugels maakte.

"Tevergeefs probeerde hij zijn belofte te houden. Terwijl hij heen en weer vloog over de vijver, gluurde hij naar zijn vrienden daar beneden. Toen begreep hij dat zelfs als zij hem konden zien zij zo'n prachtig schepsel nooit zouden herkennen als een van de hunnen.

"Het feit dat wij onze vrienden niet kunnen zien of contact met hen kunnen hebben na de verandering die wij de dood noemen, is geen bewijs dat zij niet langer bestaan."

Dat is ook mijn overtuiging ­ een overtuiging die ik mag delen met talloze anderen ­ en ik hoop dat het ook uw overtuiging mag zijn. De gekende William Penn, die samen met een grote groep geloofsgenoten in 1682 naar Amerika trok en daar de staat Pennsylvenia en de stad Philadelphia stichtte, heeft eens geschreven:

"Zij die meer dan de wereld liefhebben kunnen er niet door worden gescheiden. De dood kan niet doden wat nooit sterft, noch kunnen geesten ooit worden gescheiden die liefhebben en leven in hetzelfde goddelijke principe."

* * *

Het derde belangrijke feit, en misschien wel het belangrijkste, dat de Schrift mij leert over de dood is dit: de dood zal mij wel alles kunnen afnemen wat ik bezit op deze wereld en de dood zal mij wel tijdelijk kunnen scheiden van diegenen die ik liefheb en heb liefgehad... maar de dood zal mij geen moment kunnen scheiden van de liefde van Jezus.

Integendeel! Vanaf het moment dat ik "deze aardse tent" moet verlaten mag ik binnengaan in het "huis van Zijn Vader". En dàt huis van Zijn Vader is de plaats waar Hij zich nu, op dit moment, ook bevindt.

Dan zal ik ten volle kunnen ervaren wat Paulus schrijft in de eerste brief aan de Korintiërs, in het twaalfde vers van het dertiende hoofdstuk:

"Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben."

Nu kan ik enkel proberen om mij een beeld van Jezus te vormen uit datgene wat ik in de Evangeliën over Hem kan lezen en dat geeft mij inderdaad maar een "vaag beeld". Maar datzelfde Evangelie vertelt mij wél heel duidelijk over Zijn liefde voor mij persoonlijk en over Zijn liefde voor ieder mens.

En het is weer Paulus die mij op een triomfantelijke toon vertelt dat, wanneer ik in Jezus geloof, er niets is dat mij van die liefde kan scheiden, ook de dood niet:

"Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here." (Rom. 8:38-39)

Pas op het moment dat ik Hem mag zien van aangezicht tot aangezicht, pas wanneer ik het allesomvattende van Zijn liefde zal kunnen begrijpen en ervaren, pas wanneer ik mag rondwandelen in die heerlijke plaats die Hij voor mij persoonlijk heeft voorbereid en pas wanneer ik diegenen die mij zijn voorgegaan zal terugzien... pas op dat moment zal het volmaakte leven beginnen. Het leven zal daar niet eindigen! Het zal er op een meer intense manier verder gaan!

Door datzelfde geloof en met diezelfde overtuiging kon de grote opwekkingsprediker Moody ooit schrijven:

"Op een zekere dag zult u horen of lezen dat Moody gestorven is. Geloof dat dan niet; want op die dag zal ik meer levend zijn dan ooit tevoren".

Net als wij mocht Moody uitzien naar dat "beter vaderland" waar ook de "geloofshelden" uit onze schriftlezing van deze morgen naar uitkeken:

"...maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid."

En ik wil de overdenking van deze morgen afsluiten met een gebed, dat ooit werd neergeschreven door een zekere Peter Marshall:

"Wij bidden U, O Christus, om ons in de ban te houden van de onsterfelijkheid.

"Mogen wij nooit meer denken en doen alsof U dood bent. Mogen wij U steeds meer leren kennen als een levende Heer die aan hen die geloven heeft beloofd: "Ik leef, en gij zult leven".

"Help ons ons te herinneren dat wij bidden tot de Overwinnaar van de dood; dat wij niet langer bang hoeven te zijn of ontmoedigd hoeven te worden door de problemen en dreigingen van de wereld, omdat U de wereld hebt overwonnen.

"In Uw sterke naam, vragen wij om Uw levende tegenwoordigheid en Uw onoverwinnelijke kracht.

Amen."

 Terug naar ONTMOETING inhoud

10/1999