|
Preken uit DeuteronomiumDeut. 15:12-17 |
|
DOORBOORDE
OREN INLEIDING
Wie
weet wat een “piercing” is? Een
jonge broeder vroeg mij wat ik van “piercings” voor christenen dacht.
Hij dacht eraan om er één te dragen.
Toen ik jong was, waren het alleen “wereldse” vrouwen die gaten in
hun oorlellen hadden. Over de
laatste 40 jaar is veel veranderd. Tegenwoordig
hebben niet alleen christen vrouwen, maar ook christen mannen
gaten in hun oren – en niet alleen in hun oren...!
Ik betwijfel persoonlijk sterk of dit allemaal goed is in Gods ogen
maar ik wil het daar vanmorgen niet over hebben.
Hoe
dan ook, “piercing” is niet nieuw. In
bijbelse tijden kwam men in Israël ook mannen en vrouwen met een gat in hun
oorlel. Zij droegen geen oorbel;
zij hadden alleen een gat in hun oor. Geen
klein, bijna onzichtbaar gaatje, maar een duidelijk zichtbaar gat gemaakt door
de betrokkene met zijn oor tegen een houten deur te plaatsen en zijn oorlel
met een priem te doorsteken. Welke
misdaad werd door zulk een wrede straf berecht?
Geen! Het doorboren van het
oor was geen straf. En het werd
niet uitgevoerd tegen de wil van de betrokkene in.
Integendeel, hij of zij vroeg er zelf naar!
Waarom zou iemand zoiets doen? Wie
zou met een zichtbaar groot gat in zijn oorlel willen rondlopen?
Dt.15:12-17 Mensen
die in Israël met doorboorde oren rondliepen, waren slaven.
Slavernij kwam voor onder vrijwel alle beschavingen van de oudheid.
De welvaart van de Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen was in
aanzienlijke mate te danken aan de onbetaalde dwangarbeid van ontelbare slaven
– naar schatting ongeveer 1 op 5 van hun respectievelijke bevolking.
Een slaaf was het eigendom en het bezit van zijn meester.
Zijn geest, ziel en lichaam behoorden zijn meester toe, die hem naar
believen mocht gebruiken en misbruiken. De
eerste Israëlitische slaaf in de geschiedenis was waarschijnlijk de jonge
Jozef, die door zijn hatelijke broers als slaaf in Egypte terechtkwam.
Omdat hij om geloofsredenen weigerde om zijn lichaam te geven aan de
vrouw van zijn meester, kwam hij in de gevangenis terecht.
Hij had geluk! Een slaaf
die niet onmiddellijk en onvoorwaardelijk aan elke gril van zijn meester of
meesteres voldeed, werd meestal terechtgesteld.
Jozef was niet de laatste Israëlitische slaaf.
Enkele generaties later: Ex.22:23 “zuchtten (de Israëlieten) …
onder de slavernij en schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep over de
slavernij omhoog steeg tot God.”. God
zond Mozes om Zijn onderdrukt volk uit de slavernij te verlossen.
Onderweg, in de woestijn tussen de slavernij van Egypte en de vrijheid
van het Beloofde Land, gaf God hun 623 wetten door monde van Mozes – regels
die hen zowel persoonlijke als maatschappelijke vreugde, vrede en voorspoed
moesten garanderen. En onder die
wetten waren verordeningen die de slavernij regelden. Wetten
m.b.t. slavernij? Voor heidense
volken zeker; of wanneer Israëlieten krijgsgevangenen knechtten.
Neen: de regels i.v.m. slavernij in de wet van Mozes zijn niet van
toepassing op heidenen, maar op Israëlieten – Israëlieten die slaven van
Israëlieten werden! Over
de eeuwen heen heeft slavernij een slechte naam gekregen.
Wij denken direct aan verslagenen
die als slaven door de Romeinen gedeporteerd werden om zware arbeid te
verrichten; of aan ontelbare miljoenen afrikanen die gedwongen werden om de
oceaan over te steken en onder erbarmelijke omstandigheden te werken en te
leven in Amerikaanse landen. Slavernij
is synoniem geworden met dwang, foltering, wreedheid en apartheid.
Maar slavernij in Israël kende niets van dergelijke onmenselijkheid. Integendeel,
zoals de wet van Mozes verduidelijkt, was slavernij in Israël helemaal niet
bedoeld om Gods kinderen van
elkaar te laten profiteren of elkaar uit te buiten, maar als een hulpmiddel om
iemand die aan lager wal was geraakt er weer bovenop te helpen.
Als iemand zulke grote schulden had dat hij ze onmogelijk kon
afbetalen, zelfs na verkoop van al zijn bezit, en als hij geen familie of
vrienden had die ze voor hem wou of kon betalen, kon hij zichzelf - en meestal
ook zijn familieleden - als slaven verkopen.
Door als slaaf te gaan werken voor een meester, had de ongelukkige geen
uitgaven meer, en kregen hij en de zijnen kost en inwoon, en een dak boven hun
hoofd. De wet stelde een
maximumtermijn van 6 jaar voor slavernij (v.12 “Wanneer uw broeder, een
Hebreeuwse man, of een Hebreeuwse vrouw, zich aan u verkoopt, dan zal hij u
zes jaar dienen, maar in het zevende jaar zult gij hem vrij laten weggaan.”)
en bepaalde dat wanneer slaven vrijgelaten werden, hun meester hun heel wat
meegaven (vv.13-14,18 “wanneer gij hem vrij laat weggaan, zult gij hem
niet met lege handen laten gaan; 14 gij zult hem met mildheid meegeven van uw
kleinvee, van uw dorsvloer en uw perskuip; van datgene waarmee de Here, uw
God, u gezegend heeft, zult gij hem geven. … 18 Laat het u niet hard vallen,
als gij hem vrij laat weggaan, want zes jaar heeft hij het dubbele loon van
een dagloner voor u verdiend; dan zal de Here, uw God, u zegenen in alles wat
gij doet.”). Er was echter
één uitzondering op de invrijheidsstelling, één geval waarbij een slaaf
niet vrijgelaten werd, één omstandigheid waardoor hij heel zijn leven slaaf
bleef, nl. wanneer hij niet vrij wou
gaan: vv.16-17 “wanneer hij tot u zegt: Ik wil niet van u heengaan, omdat
hij u en uw gezin liefheeft, daar hij het goed bij u heeft, 17 dan zult gij
een priem nemen, en die door zijn oor in de deur steken, opdat hij voor altijd
uw dienstknecht zij. En ook met uw dienstmaagd zult gij zo doen.”!
Kijkt
nu naar de persoon die naast u zit. Heeft
hij of zij een gat in het oor? Hopelijk
wel! Niet letterlijk, maar
geestelijk. Want echte christenen
zijn vrijwillige, levenslange slaven – slaven van Christus.
De apostel Paulus beschrijft zichzelf in: Rom.1:1 als “een
dienstknecht van Christus Jezus”. Het
woord “dienstknecht” hier (alsook in bijna alle teksten van het Nieuwe
Testament waar het gebruikt wordt) is in de Griekse grondtekst niet
“diakonos” (“dienaar”), maar: “doulos” – “slaaf”.
Paulus noemt zich: “een dienstknecht (“doulos” –
“slaaf”) van Christus Jezus”.
De apostel Jakobus ook: 1:1 “Jakobus, een dienstknecht van God en
van de Here Jezus Christus”; de apostel Petrus ook: 2 Petr.1:1 “Simeon
Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus”; de apostel
Judas ook: v.1 “Judas, een dienstknecht van Jezus Christus”.
Jezus noemt de apostel Johannes: “zijn dienstknecht” in
Openb.1:1, en in datzelfde vers beschrijft Hij ook alle ware gelovigen als “zijn
dienstknechten”. Broeders en
zusters: een heerlijk nieuws voor u vanmorgen: wij zijn slaven, vrijwillige
slaven – niet van mensen, niet van de kerk, zelfs niet van brs. Leo en
Michael. Neen, christenen: 1
Cor.6:19b-20a “gij (zijt) niet van uzelf zijt? 20 Want gij zijt gekocht
en betaald.”; 7:22-23 “de slaaf, die in de Here geroepen werd, is
een vrijgelatene des Heren; evenzo is hij, die als vrije geroepen werd, een
slaaf van Christus. 23 Gij zijt gekocht en betaald.”.
Christenen zijn vrijwillige slaven van Christus.
In de geschiedenis heeft de kerk mensen soms tot slavernij geknecht.
Er zijn sekten waar dit nog gebeurt.
Maar al jullie slaven die hier vanmorgen in de kerk zitten, zijn geen
slaven van deze kerk en geen slaven van br. Leo of van mij.
Weet u waarom? Want wij
hebben u niet gekocht en wij hebben u niet betaald!
Zoals wij lazen, schrijft Paulus tweemaal achter elkaar aan de Corinthiërs:
“Gij zijt gekocht en betaald” maar hij heeft ze niet gekocht en hij
heeft ze niet betaald. Wie heeft
hen, en ons, gekocht en betaald? 1
Petr.1:17a,18-19 “U roept God aan als uw Vader. … 18 U weet toch wat
een geweldige losprijs God heeft betaald om u vrij te kopen van het lege
bestaan dat u, net als uw voorouders, leidde. U bent niet vrijgekocht met iets
wat vergaat, zoals zilver en goud, 19 maar met het kostbare bloed van een
volmaakt en vlekkeloos lam: Het bloed van Christus.”
De hemelingen zingen de verheerlijkte Jezus een nieuw lied toe waarvan
de tekst in Openb.5:9 o.a. zegt: “Gij hebt hen voor God gekocht met uw
bloed, uit elke stam en taal en volk en natie”.
Meestal
komt de uitnodiging helemaal aan het einde van een preek.
Ik gooi de gewoonte om vanmorgen en geef de uitnodiging nu al: “laat
uw oor doorboren”! Maar voordat
ik de gebruikelijke oproep doe om naar voren te komen, eerst even uitleggen
wat dit inhoudt en betekent. Wanneer
men iemand met een doorboord oor in Israël tegenkwam, wist men meteen: deze
man of vrouw heeft een keuze gemaakt. Zij
hebben vrijwillig besloten om hun persoonlijke vrijheid onherroepelijk op te
geven en een vrije keuze gemaakt om hun leven voortaan onlosmakelijk met dat
van hun meester te verbinden. Toen
Jezus Mt.4:18-22 “langs de zee van Galilea ging, zag Hij twee broeders,
Simon, die Petrus genoemd wordt, en Andreas, diens broeder, een net in zee
werpen; want zij waren vissers. 19 En Hij zeide tot hen: Komt achter Mij en Ik
zal u vissers van mensen maken. 20 Zij nu lieten terstond hun netten liggen en
volgden Hem. 21 En vandaar verder gegaan zijnde, zag Hij nog twee broeders,
Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met
hun vader Zebedeüs, terwijl ze bezig waren hun netten in orde te brengen, en
Hij riep hen. 22 Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en
volgden Hem.”; 9:9 “Jezus (zag) iemand bij het tolhuis zitten,
Matteüs genaamd, en Hij zeide tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde
Hem.” Jezus riep deze en
andere mensen om alles op te geven, alles achter te laten, Zijn discipelen te
worden en Hem te volgen. God is
een roepende God: Ps.50:1 “De God der goden, de Here, spreekt en roept de
aarde vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat.”.
God roept iedereen, overal, altijd!
In de olympische stad Athene riep de apostel Paulus: Hand.17:30 “God
… verkondigt, … heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering
moeten komen” – “allen”, “overal”, “tot
bekering komen”. Hoe doen
wij dit? Hoe bekeren wij ons?
Door ons oor geestelijk te laten doorboren.
Door ons vrijwillig, onvoorwaardelijk en onlosmakelijk aan de Heer te
geven – ons leven – geest, ziel en lichaam, ons bezit, onze familie, onze
tijd, onze toekomst, onze ambities en onze emoties.
Wanneer wij ons tot Christus bekeren, plaatsen wij dit alles bewust
eeuwig onder Zijn heerschappij. Wij
verklaren dat wij geloven dat Jezus de Zoon van God is, dat Hij voor ons aan
het kruis stierf en uit de dood opstond. Wij
belijden onze zonde aan de Heer en vragen Zijn vergiffenis.
Wij beloven Hem voortaan als onbetwiste Heer en alleen Meester over ons
leven te erkennen, en Hem toegewijd te gehoorzamen en trouw te volgen.
Wat ontvangen wij in ruil? Jezus
somt het op in Joh.5:24 “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord
hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet
in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.”
Eeuwig leven! Hier, nu al!
Zekerheid van vergeving en van eeuwig leven in de hemel.
Eeuwige vreugde, vrede, vrijheid en voorspoed, die beginnen op het
ogenblik van de bekering en die nooit, nooit, nooit ophouden!
Ik herhaal Paulus’ prediking te Athene: “God … verkondigt, …
heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen”.
Wat was de reactie van de Atheners?
Drongen ze allemaal naar voren om hun oor geestelijk te laten
doorboren? Paulus’ toehoorders
reageerden op drie verschillende manieren: vv.32,34 “sommigen spotten”
– zij kozen om Jezus niet aan te nemen; “anderen zeiden: Wij
zullen u hierover nog wel eens horen.” – zij stelden hun beslissing
uit; “Doch enige mannen sloten zich bij hem aan, en kwamen tot geloof,
… en een vrouw, … en anderen met hen.”
- zij lieten hun oor doorboren. Een
doorboord oor was dus een openbaar teken van vrijwillige overgave en
onderwerping. Iedereen kon zien
dat die mensen vrijwillig en
onherroepelijk voor levenslange slavernij gekozen hadden.
Deze slaven dienden hun meester niet stiekem; zij probeerden niet om
het feit dat zij slaven waren, te verbergen; zij kwamen er openlijk voor uit -
zoals Paulus: Rom.1:16 “ik schaam mij
het evangelie niet”. God
vraagt christenen niet om hun oor met een priem te laten doorboren, maar Hij
vraagt wel om een openbare getuigenis van geloof en bekering.
Kort vóór Zijn hemelvaart gebood Jezus Zijn discipelen: Mt.28:19 “Gaat
dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des
Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik
u bevolen heb.”. Door gans
het Nieuwe Testament weerklinkt de oproep: “Bekeert u en laat u dopen” -
Hand.2:38 “Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus
Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen
Geestes ontvangen.” > v.41 “Zij
dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden
ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.”;
22:16 “En nu, wat aarzelt gij
nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van zijn
naam.”
Een
doorboord oor was onomkeerbaar. Wie
zijn oor liet doorboren, verplichtte zich tot levenslange slavernij.
Hij zou zijn meester trouw blijven dienen zolang hij leefde.
Broeders en zusters, voor Jezus kiezen is geen sollicitatie bij een
interim-kantoor. Er waren ook
slaven zonder een gat in hun oor. Die
waren “interimmers” – slaven die maximum 7 jaar dienden.
Maar de slaven mèt een gat in hun oor waren geen “interimmers”;
zij waren vast aangenomen. Echte
christenen zijn geen “interimmers”, die de Heer slechts tijdelijk dienen.
Christenen zijn vàst aangenomen in Gods gezin!
Zij kunnen geen ontslag nemen, en zij krijgen nooit een “C.4”!
Zijn
wij “interim christenen”? Houden
wij op om de Heer te dienen indien de satan ons iets gemakkelijkers of
schijnbaar aantrekkelijkers voorspiegelt.
Zijn wij “interim gemeenteleden”, die de gemeente ontrouw worden
zodra een andere kerk beter muziek of een knappere voorganger heeft?
Zijn onze heiliging en onze toewijding “interim”?
Weet u waarom de eerste gemeente zo succesvol was?
Omdat haar leden geen “interimmers” waren: Hand.2:42 “zij
bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken
van het brood en de gebeden.”.
De leden van de eerste gemeente, te Jeruzalem, waren geen
“interimmers”. Ook niet toen
nood uitbrak: vv.43-44 “allen,
die tot het geloof gekomen … waren, hadden alles gemeenschappelijk; 45 en
telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan
allen, die er behoefte aan hadden”.
Ook niet toen vervolging losbarstte: 4:32 “de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van
hart en ziel”.
Zijn
onze oren doorboord? Christen
zijn is vrij, maar niet vrijblijvend. Wij
moeten volharden: Mt.24:13 “wie
volhardt tot het einde, die zal behouden worden.”; Hebr.3:6 “Zijn
huis zijn wij, indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, tot
het einde onverwrikt vasthouden.” Één
van de geweldigste beloften in het Nieuwe Testament is een beloning voor
volharding: 2 Tim.2:12 “indien wij
volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen
verloochenen, zal ook Hij ons”. Met
het oor tegen een houten deur gaan staan en er een priem door laten steken,
lijkt mij een pijnlijke zaak! Plaatselijke
verdoving bestond niet in bijbelse tijden!
Vrijwillige overgave, onderwerping en toewijding aan de Heer kunnen ook
pijnlijke gevolgen hebben. Sadrach,
Mesach en Abednego werden in een brandende vuuroven gegooid omdat zij kozen om
de Heer te dienen i.p.v. te buigen voor een afgodsbeeld; om God te dienen
i.p.v. hun eigen huid te redden. Daniël
werd in de leeuwenkuil gegooid omdat hij koos om God openlijk trouw te blijven
i.p.v. God slechts stiekem te aanbidden. Paulus
en Silas werden wreed gegeseld en in
de binnenste kerker van de gevangenis te Filippi opgesloten, met hun voeten in
het blok, omdat zij de opdracht van de Heer trouw uitvoerden en demonen te
lijf gingen. Jezus betaalde de
ultieme prijs omdat Hij Zich in de hof van Gethsemane aan God, Zijn Vader,
overgaf: Luc.22:42 “niet mijn wil,
maar de uwe geschiede!”.
In
tegenstelling tot wat sommigen leren, garandeert een doorboord oor niet alleen
geen vrijheid van moeite en pijn, het waarborgt evenmin wereldse rijkdom.
Slaven bezitten niets! Wie
zijn oor liet doorboren, zag af van persoonlijke bezittingen en rijkdom.
Hij werkte nooit meer voor zichzelf, maar altijd voor zijn meester.
Hij deed niet meer wat hij zelf wou; hij
gehoorzaamde zijn meester, onmiddellijk, in alles, zonder vragen en
zonder aarzelen. Jezus verkoos om
zo te leven: 2 Cor.8:9 “Gij kent immers de genade van onze Here Jezus Christus, dat Hij om
uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede
rijk zoudt worden.”; Mt.8:20 “Jezus
zeide ... De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon
des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen.”
“Gij zijt gekocht en betaald” Jezus is arm geworden om ons
rijk te maken, gestorven opdat wij zouden leven.
De apostel Paulus volgde Jezus’ voorbeeld.
Hij schrijft: Fil.3:7,8b “alles wat mij winst was,
heb ik om Christus' wil schade geacht. … Om zijnentwil heb ik dit alles
prijsgegeven”.
Was dit niet roekeloos? Paulus
had enorm goed gepresteerd: Vv.5-6 “besneden
ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, 6 een Hebreeër
uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger
van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk.”
Paulus had gestudeerd aan de voeten van de grote rabbijn Gamaliël.
Hij was aan een schitterende carrière begonnen.
Al als jonge man genoot hij enorm respect bij de Joodse leiders.
En toch: v.7 “alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht.”
Waarom? Paulus was géén
dwaas. Integendeel: hij gaf op wat
hem slechts tijdelijk voordeel bood, en wat hij toch niet kon behouden, voor
eeuwige zekerheid en zegen: vv.8-11 “Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus
Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles
prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, 9 en in
Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar
de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van
het geloof. 10 (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en
de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, 11
zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.”
Toen Paulus zich op de Damascusweg bekeerde, werd hij geen interim
christen. Echte bekering is
radicaal en permanent. Paulus
dacht nooit aan terugkeer. Hij
werd nooit afvallig. Hij was Zijn
Heer geen seconde ontrouw. Hij had
een gat in zijn oor laten boren!
Jim
Elliot wou van kinds af aan zendeling worden onder de Amerindianen van het
Amazoniënwoud. Na zijn
bijbelschoolstudies vertrok hij naar Ecuador, om het Evangelie te brengen,
samen met vier andere zendelingen, aan de Aucaindianen.
“Auca” betekent “woest” of “wild” – een gepaste
beschrijving van deze primitieve stam die hun isolatie
beschermde door iedere buitenstaander te doden.
De zendelingen bereidden hun bezoek aan de Auca’s goed voor.
Zij stuurden giften op voorhand. In
de voormiddag van 8 januari 1956 naderden zij het Aucadorp.
Een grote groep mannen liep hen tegemoet.
Hun leider, Guiquita Waewae riep een bevel en de dorpelingen
vermoordden de zendelingen brutaal. Kort
voor zijn dood schreef Jim Elliot in zijn dagboek: “Hij is geen dwaas die
geeft wat hij niet kan behouden om te winnen wat hij niet kan verliezen.”
Enkele jaren later gingen twee van de weduwen terug naar de Auca’s en
één van hen leidde Guiquita tot de Heer.
“Alles wat mij winst was,
heb ik om Christus' wil schade geacht.”
Indien
u iemand in bijbelse tijden in Israël tegenkwam met een gat in het oor, wist
u onmiddellijk met wat voor iemand u te doen had.
Toewijding laat altijd littekens na.
Jezus : Joh.20:19-20 “Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse,
waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de
Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u! 20 En
na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.”.
Een week later: Joh.20:27 “zeide
Hij tot Tomas: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en
steek die in mijn zijde”. Paulus
droeg vele littekens van toewijding aan de Heer.
Hij schreef in Gal.6:17b “ik
draag de littekenen van Jezus in mijn lichaam.” en beschrijft ze in 2
Cor.11:24-27 “Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-een-slagen ontvangen, 25
driemaal ben ik met de roede gegeseld, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik
schipbreuk geleden, een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee; 26 telkens op
reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door
volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de
woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders;
27 in moeite en inspanning,
tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten,
in koude en naaktheid”. CONCLUSIE Wij
zijn geroepen tot slavernij – vrijwillige, permanente, eeuwige slavernij aan
Jezus Christus. Vanuit de
gevangenis te Rome schrijft Paulus een briefje aan zijn vriend te Kolosse over
Filemon’s slaaf Onesimus. Onesimus
had zijn meester, Filemon, bestolen vooraleer uit Kolosse te ontsnappen, en
leefde als vrij man te Rome. Daar
kwam hij tot bekering door de bediening van Paulus.
Hij werd snel een gewaardeerde helper en medewerker van Paulus.
Maar toen hij Paulus zijn verleden vertelde, stuurde Paulus hem terug
naar Filemon, terug naar zijn meester, van vrijheid terug naar slavernij, om
zijn oor figuurlijk te laten
doorboren. “Onesimus” betekent
“bruikbaar” – een typische naam voor een slaaf.
Paulus schrijft over hem als: vv.10-16 “mijn kind, dat ik in mijn
gevangenschap verwekt heb, Onesimus, 11 die vroeger onbruikbaar voor u was,
maar nu zeer bruikbaar is, zowel voor u als voor mij. 12 En ik zend hem… aan
u terug. 13 Ik … had hem wel bij mij willen houden, opdat hij mij … zou
dienen in mijn gevangenschap ter wille van het evangelie … 15 … hij is
misschien wel daarom een tijdlang weg geweest, opdat gij hem voorgoed zoudt
terughebben, 16 nu niet meer als slaaf, maar als meer dan slaaf, als een
geliefde broeder”. Zijn
er mensen hier, vandaag, die (figuurlijk) aan de deur willen gaan staan?
Mensen die nog niet
definitief voor Jezus kozen? Om
het met woorden van Mozes te zeggen (bijna zijn laatste woorden, die ik uit
“Het Boek” voorlees: Dt.30:15-20 “Luister, vandaag heb ik u de keus
gegeven tussen leven en dood, geluk en ellende. 16 Ik heb u vandaag opgedragen
de Here, uw God, lief te hebben, Zijn paden te volgen en Zijn wetten na te
leven. … 17 Maar als uw hart zich afwendt en u niet wilt luisteren … 18
dan verklaar ik u hier vandaag dat u zeker zult worden vernietigd; u zult geen
lang en goed leven hebben … 19 Hemel en aarde zijn mijn getuigen dat ik u
vandaag de keus heb gegeven tussen leven en dood, zegen en vloek. Kies dan
toch het leven, zodat u en uw kinderen mogen leven!
20 Kies voor het liefhebben en gehoorzamen van de Here, uw God. Houd u
aan Hem vast, want dat is uw leven.”.
Ik voeg daar de vraag van de profeet Elia daaraan toe: 1 Kon.18:21 “Hoe
lang blijft u nog op twee gedachten hinken?" … "Als de Here uw God
is, volg Hem dan.”, en de oproep van Jozua: 24:15 “kiest
dan heden, wie gij dienen zult”.
Wilt u met uw oor tegen de deur gaan staan?
Zijn er mensen hier vandaag zoals Onesimus, die de Heer ooit dienden
maar die Hem de rug toekeerden en van Hem wegliepen?
Wilt u met uw oor tegen de deur gaan staan?
Zijn er hier vandaag mensen zoals de apostel Paulus, die bereid zijn om
alles wat hun winst was, schade te achten om zich volledig en onvoorwaardelijk
aan Christus toe te wijden. Wilt
u met uw oor tegen de deur gaan staan? Ja?
Dan moet ik u iets opbiechten. Tijdens
deze hele prediking heb ik gelogen. Want
wie onder het nieuwe verbond zijn oor laat doorboren, wordt geen slaaf van
Jezus. Jezus zegt: Joh.15:15
“Ik noem u niet meer slaven, want de
slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik
alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt.”
|
|
05/09/2004 |