![]() |
Het Evangelie naar Marcus |
De auteur is Johannes Marcus, een bloedverwant van Barnabas. Samen met deze laatste heeft hij deelgenomen aan de eerste zendingsreis van Paulus (Hand. 12:25; 13:5). Volgens de overlevering stond Marcus nauw in contact met de apostel Petrus en zou hij het verhaal van Jezus hebben opgetekend zoals het hem door Petrus was verteld. Een zekere Papius noemt Marcus in 140 n.C. reeds als "de zegsman van Petrus" Het is het kortste van de vier Evangeliën. Algemeen wordt aangenomen dat de tekst in Rome is ontstaan, tussen het jaar 60 en 70 n.c. Marcus heeft zijn boek dan ook duidelijk geschreven voor de tot het christendom bekeerde Romeinen. Het bevat dan ook veel minder verwijzingen naar het Oude Testament en de Joodse wetten en gebruiken worden bij hem dan ook telkens toegelicht, omdat de schrijver er van uit ging dat zijn lezers hiermee niet vertrouwd waren. Marcus legt de nadruk op de rol die Jezus vervulde als "dienstknecht" van God en "dienaar" van de mensheid. Hij schildert Jezus dan ook af als Iemand die altijd beschikbaar stond en die hulpzoekenden nooit afwees. Marcus is duidelijk ook onder de indruk van de goddelijke kracht van Christus. Hij gebruikt opvallend vaak het woord "terstond" om aan te tonen dat een wonder op bevel van Jezus onmiddellijk gebeurde. Er staan dan ook niet minder dan 19 mirakelen opgetekend in dit Evangelie: acht tonen zijn macht over ziekte en lijden, vijf laten zien dat Hij de natuur beheerst, in vier wonderen wordt de macht van Jezus over demonen en boze geesten getoond en in twee wonderen wekt Jezus iemand terug op uit de dood! Opvallend bij Marcus is ook de nadruk die hij herhaaldelijk legt op het gebod tot stilzwijgen dat Jezus regelmatig geeft na een wonder. Hij wilde duidelijk tonen dat pas bij de Intrede te Jeruzalem Jezus als Koning en Messias zou geopenbaard worden. In een bekend gedeelte uit het Marcus-evangelie geeft Jezus Christus Het Grote Gebod. Op deze site vindt u ook een preek naar aanleiding van Marcus 10:17-22
Indeling
|
2/1998 |