De Brief van Jakobus

Jakobus, een broer van Jezus Christus, is de schrijver van deze brief die tussen 45 en 48 n.C. werd geschreven vanuit een onbekende plaats. Deze Jakobus behoorde niet tot de twaalf apostelen maar uit andere bijbelgedeelten (Galaten 1:19; 2:9; Handelingen 15:13; 21:18) leren we dat hij in de Gemeente te Jeruzalem een belangrijke plaats bekleedde.

De bestemmeling van dit schrijven is hoogst waarschijnlijk een groep Joodse christenen die in de Griekse wereld leefden en aan wie Jakobus een aantal adviezen wil meegeven over het leven als christen. Sommigen zien in de vele korte en kernachtige uitspraken in deze brief een zekere gelijkenis met de bergrede die Jezus uitsprak.

Maar de brief verschaft ons vooral dieper inzicht in de vele problemen waarmee de eerste Gemeente reeds te maken kreeg; problemen waarmee we ook vandaag nog veelvuldig geconfronteerd worden: trots, discriminatie, egoïsme, huichelarij, wereldgelijkvormigheid en roddel.

Jakobus wil de Gemeente duidelijk maken dat een geloof zonder werken een dood geloof is (2:26). [Precies om deze reden liep de grote hervormer Maarten Luther niet zo hoog op met dit Bijbelboek; hij legde er immers de nadruk op dat we behouden worden uit genade en niet uit werken!]. Het is toch wel duidelijk dat een echt geloof ook goede vruchten voortbrengt, en geen slechte.

Uit de brief van Jakobus moeten we onthouden dat we precies door te leven als christen de echtheid van ons geloof bewijzen en enkel op die manier tegenover anderen kunnen getuigen dat het geloof in het evangelie mensenlevens echt verandert.


Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden. Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen. Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren.

(Jakobus 5:13-14)


Indeling

De brief laat zich niet zo makkelijk indelen. Een groot deel van de behandelde onderwerpen kunnen we onder twee verschillende hoofdingen plaatsen: (1) ware godsvrucht; (2) valse religie.

  1. Deel 1: De kenmerken van ware godsvrucht.
    1. Vreugde en geduld, ook in vervolging (1:2-4)
    2. Onwankelbaar geloof en eenheid van geest (1:5-8)
    3. Aanvaarden van de hoogten en laagten in het leven (1:9-11)
    4. Het weerstaan aan verzoekingen (1:12)
    5. Het kennen van de oorzaken van verzoekingen (1:13-15)
    6. Weten Wie aan de oorsprong ligt van al onze zegeningen (1:16-18)
    7. Een geestelijk oor, overleg bij het spreken en geduld bij tegenstand (1:19-20)
    8. Waakzaam voor het kwade en ontvankelijk voor het goede (1:21)
    9. Het waarheid onderzoeken en toepassen (1:25)
    10. Naastenliefde en zuiverheid betrachten (1:27)
    11. Goede werken:
      1. Als bewijs van echtheid van geloof (2:18)
      2. Om het geloof te ontwikkelen (2:21-25)
    12. Hemelse wijsheid (3:17-18)
  2. Deel 2: Kenmerken van valse religie
    1. Onzorgvuldig omgaan met het Woord (1:22-24)
    2. Een ongecontroleerde tong (1:26)
    3. Ophemelen van personen; de rijken hoger achten (2:1-9)
    4. De wet slechts gedeeltelijk gehoorzamen (2:10-12)
    5. Ondankbaarheid (2:13)
    6. Geloof zonder werken van hulp en naastenliefde (2:14-16)
    7. Dood geloof (2:17-18)
    8. De waarheid intelectueel benaderen, zonder dat ze je leven verandert (2:19-20)
    9. Ongecontroleerd en vernietigend gebruik van de tong (3:1-8)
    10. Vloek en zegen die uit dezelfde mond komen (3:9-12)
    11. Strijd en satanische invloed (3:14-16)
    12. Rusteloosheid en onheilige begeerten (4:1-2)
    13. Onverhoorde gebeden en wereldgelijkvormigheid (4:3-4)
    14. Trots, dwaasheid, onzuiverheid, dubbelzinnigheid, berouwloosheid (4:5-9)
    15. Kwaadspreken en onbarmhartig oordelen (4:11-12)
    16. Geen rekening houden met God bij het maken van plannen (4:13-16)
    17. Verwaarlozen van plichten (4:17)
  3. Deel 3: Waarschuwingen, bemoedigingen, aanwijzingen
    1. Waarschuwingen voor de rijken
      1. In verband met komende elende (5:1-2)
      2. Respect voor welstand en het achterhouden van het loon der armen (5:3-4)
      3. In verband met de jacht naar genot en het minachten van de rechtvaardigen (5:5-6)
    2. Over de komst van de Here:
      1. Geduldig en standvastig zijn en niet morren (5:7-10)
      2. De profeten en Job tot voorbeeld nemen van geduldig lijden (5:10-11)
      3. Niet zweren maar trouw zijn aan het gegeven woord (5:12)
    3. Aanwijzingen in verband met bidden, belijden van zonden en getuigen:
      1. Gebed bij moeilijkheden en voor de zieken (5:13-15)
      2. Het belijden van zonden (5:16)
      3. Eliah als voorbeeld van gebed (5:16-18)
      4. De opdracht om zielen te winnen (5:20)
 Terug naar INLEIDING OP DE BIJBELBOEKEN

 Terug naar ONTMOETING inhoud

3/2000