De brief van Paulus aan de Galaten

aulus brengt tijdens zijn eerste zendingsreis het Evangelie in Galatië, een landstreek in Klein-Azië (in het huidige Griekenland). Het verslag van zijn bezoek aldaar kunt u nalezen in Handelingen 13:14 tot 14:23. Korte tijd na zijn vertrek komen de jonge Gemeenten daar echter onder de invloed van een groep Joodse christenen, zogenaamde Judaïsten, die leren dat ook christenen uit andere volkeren zich aan de wetten van Mozes dienen te houden om behouden te worden. Dit sticht grote verwarring onder deze jonge gelovigen.

In 48 of 49 n.C. schrijft Paulus een brief waarmee hij deze dwaalleer krachtig wil bestrijden. Hij wil hierin aantonen dat de mens niet behouden wordt door de wet maar door het geloof: ook Abraham werd behouden door het geloof, ongeveer vierhonderd jaar voor de wet aan Mozes werd gegeven.

Hij legt er ook sterk de nadruk op dat Christus voor ons gestorven is opdat wij werkelijk vrij zouden zijn; we mogen ons dus niet opnieuw het slavenjuk van de wet laten opleggen. Wie beweert dat de mens door iets anders zou kunnen behouden worden dan door geloof en genade doet de waarheid van het Evangelie geweld aan. Net als in de tweede brief aan de Corinthiërs moet Paulus ook in dit schrijven zijn apostolisch gezag verdedigen, gezag dat blijkbaar door de Judaïsten werd aangevochten.

Deze brief werd door sommige schrijvers het "Magna Charta van de Gemeente" genoemd omwille van het gedeelte over de christelijke vrijheid in het vijfde hoofdstuk.

Hoofdstuk 5, vers 1 is dan ook de "sleuteltekst" van dit bijbelboek:

"Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen."


Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik,
[dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij.
En voor zover ik nu [nog] in het vlees leef,
leef ik door het geloof in de Zoon van God,
die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.

(Gal. 2:20)


Indeling

  1. Groeten in inleiding
    (1:1-9)
     
  2. Paulus ervaring en apostolisch gezag
    1. Hij kreeg zijn opdracht rechtstreeks van Jezus Christus (1:10-16)
    2. Hij deed zendingswerk onafhankelijk van de andere apostelen (1:17-23)
    3. Hij stond bij zijn werk rechtstreeks onder Gods leiding (2:1-5)
    4. De kerk in Jerusalem bevestigde zijn apostelschap en werk onder de heidenen (2:7-10)
    5. Hij ging het debat aan met Petrus, Barnabas en andere leiders toen hij merkte dat die wilden terugkeren naar de Joodse wet en rituelen (2:11-14)
       
  3. Paulus verdedigt de leer van behoud door het geloof
    1. Hij toont de dwaasheid van het terugkeren naar de wet (2:15-21)
    2. Hij herinnert de Galaten aan hun vroegere geestelijke ervaring (3:1-5)
    3. Abraham werd gerechtvaardigd op grond van het geloof (3:6-9)
    4. De wet kon de mens niet redden, alleen Christus kon dat (3:10-14)
    5. De wet kon rechtvaardiging uit geloof niet vervangen (3:15-18)
    6. De wet was slechts een voorbereiding op het werk van Christus (3:19-25)
    7. Hij toont het verlies van wie terugkeert naar de wet:
      1. Zij ruilen hun zegeningen als kind van God in voor gebondenheid aan rituelen (3:26-4:11)
      2. Ze minachten het werk dat voor hen gedaan werd (4:11-16)
      3. Zij worden terug vleselijke kinderen van Abraham in plaats van kinderen der belofte (4:19-31)
      4. Ze verliezen hun geestelijke vrijheid en maken dat Christus offer voor hen tot geen nut was (5:1-6)
         
  4. Waarschuwingen, instructies en aansporingen
    1. Waarschuwing tegen dwaalleraars (5:7-13)
    2. Aansporingen in verband met het geestelijk leven
      1. Het conflict tussen vlees en geest (5:17,18)
      2. Werken van het vlees geven geen toegang tot Gods koninkrijk (5:19-21)
      3. De vruchten van de Geest die zich in het leven van de christen moeten manifesteren (5:22-26)
    3. Kenmerken van het leven naar de Geest (6:1-9)
    4. Contrast tussen Paulus leer en die der dwaalleraars (6:12-17)
 Terug naar INLEIDING OP DE BIJBELBOEKEN

 Terug naar ONTMOETING inhoud

8/1998